| Pagina bij www.zoekkaartwildebijen.nl |
| Lichaamsbouw van bijen en structuren die van belang zijn voor het op naam brengen van wilde bijen en bijengeslachten |
| Dit gedeelte is voorlopig op deze pagina geplaatst. Krijgt een andere plaats als de tabel van de Nederlandse bijengeslachten is voltooid (najaar 2011) |
Tekeningen zijn eerder gepubliceerd in: Koster, A. (1986). Het genus Hylaeus in Nederland (Hymenoptera, Colletidae). Zoölogische Bijdragen 36: 1-120. http://www.repository.naturalis.nl/document/148513 (laadtijd 20-60 sec). |
| Niet alle lichaamsdelen en structuren spelen een rol bij de determinatie van de Nederlandse wilde bijen, maar worden wel geregeld in beschrijvingen gebruikt. Bij de afzonderlijke figuren staat steeds een stukje tekst waarin de voornaamste lichaamdelen en structuren worden genoemd die voor het determineren van wilde bijen van belang kunnen zijn. |
| Misschien zijn enkele termen van lichaamsdelen verouderd: dat zal spoedig worden gecontroleerd. In ieder geval kan dit overzicht worden gebruikt bij de beschrijvingen van de soorten op deze Bijenhelpdesk. |
|
| |
|
| |
|
| Wilde bijen: voorvleugel |
|
Voorvleugel bevatten belangrijke kenmerken om het bijengenus/geslacht te bepalen. De voornaamste kenmerken worden genoemd.
De submariginale cellen (9en 10) spelen een belangrijke rol bij de indeling van wilde bijen. De voorvleugels kunnen 2 of 3 submarginale cellen hebben; deze cellen kunnen in grootte verschillen. De radiaalcel (11)is eveneens van belang. De top (12) kan spits of stomp zijn, een kort aanhangsel hebben, iets van de vleugelrand verwijderd zijn of er tegenaan liggen. De basale ader (6) kan recht of duidelijk gebogen zijn. De positie (uitmonding) van de teruglopende aders (t1,t2) ten opzichte van de submarginale cellen kan een belangrijk kenmerk zijn voor het vaststellen van een bijengeslacht. |
 |
6. |
basale ader |
| 7. |
costale ader |
| 8. |
costale cel |
| 9. |
1e submarginale cel |
| 10. |
2e submarginale cel |
| 11. |
radiaalcel |
| 12. |
top met aanhangel |
| 13. |
pterostigma |
| t1. |
1e teruglopende ader |
| t2. |
2e teruglopende ader |
| |
|
| |
|
|
| |
| |
| |
| Wilde bijen: achterlijf of metasoma |
Terug naar top pagina |
Het achterlijf is van grote betekenis voor het op naam brengen van soorten.
Kleur en structuur -
Het achterlijf kan egaal zwart of donker gekleurd zijn; bij sommige soorten en bij bloedbijen is het achterlijf geheel of grotendeels rood; bij wespbijen en wolbijen geel getekend waardoor ze er wat wespachtig uitzien.
Het oppervlakte van de tergieten (t1-6) kunnen glanzend of dof zijn; zeer fijn gerimpeld zijn of een fijn netvormige structuur hebben en kunnen gepuncteerd zijn (kleine puntachtige verdiepingen zichtbaar bij 10-20 x vergroting). De achterranden van de tergieten kunnen ingedrukt zijn.
Beharing - Het achterlijf kan dicht tot dun behaard zijn; de achterrand van de tergieten kunnen al dan niet gesloten haarbandjes hebben waarvan de beharing dicht, dun of min of meer viltachtig kan zijn.
Sternieten (s1-6) - kunnen voorzien zijn van haarbandjes en kunnen uitstulpingen (knobbeltje, richels) hebben. De vrouwtjes van veel soorten hebben dichte haarborstels (buikschuiers) waarmee stuifmeel wordt verzameld. Dit is onder meer het geval bij behangersbijen, mestelsbijen en klokjesbijen. |
 |
t1-6. |
tergieten of rugsegmenten |
| s1-6. |
sternieten of buiksegmenten |
| t1. |
rugsegment met onderbroken haarbandje |
| t2. |
rugsegment met ingedrukte achterrand (is met strijklicht het beste te zien). |
| |
|
| |
|
| |
|
|
| |
| |
|
| Wilde bijen: punctering achterlijf en borststuk |
Terug naar top pagina |
 |
 |
 |
| Punctering dun en punttussenruimte glad en vaak glanzend |
Punctering grof en punttussenruimte met een netwerkstructuur |
Puntering onregelmatig en punttussenruimte glad en vaak glanzend |
 |
Punctering is en belangrijk kenmerk voor het onderscheid van soorten. Bij determinatie gaat het meestal om de rugsegmenten (tergieten) van het achterlijf en de rugzijde van het borststuk. De punctering kan grof, fijn en onregelmatig zijn. De tussenruimte kan glad en glanzend zijn, maar ook dof en rimpelig. Bij een sterke vergroting blijken de rimpels vaak gevormd te worden door een netachtige structuur. Allerlei tussenvormen zijn mogelijk.
De punctering en de structuur van de punttussenruimte is het beste te zien onder een steriomicroscoop (binoculair) 40x, belicht door strijklicht; dus de lamp moet op enige afstand min of meer horizontaal op de bij gericht zijn. |
| Punctering fijn tussen ruimte glad en glanzend maar met een zeer zwakke netwerkstructuur |
|
|
|
| |
| |
| Wilde bijen: antenne(4) en bovenkant kop (3) |
Terug naar top pagina |
| De kop en antenne leveren een bijdrage bij determinatie van wilde bijen. De occelli kunnen in een duidelijk driehoek staan of bijna op een rechte lijn. De kop kan ten opzichte van het borststuk vrij breed zijn en de hoeken aan de achterzijde rond tot relatief kantig. De antenne speelt vooral een rol bij het op naam brengen van de mannetjes. De scapus kan slank, dik of schildvormig verbreed zijn; soms ook met gele tinten. De leden van het flagellum kunnen een verschillende lengte hebben; het is een hulpmiddel om mannetjes van verschillende soorten van elkaar te kunnen onderscheiden. De leden kunnen cilindrisch zijn, maar ook een min of meer bolle en holle kant hebben. De lengte van het flagellem is bij sommige soorten zeer karakteristiek. |
 |
3 |
|
bovenkantkop |
| 1 |
|
puntogen(ocelli) |
| 6 |
|
orbitale sutuur (grof tussen twee delen) |
| 7 |
|
antenne sokkel |
| 8 |
|
supraclypeus |
| 9 |
|
Para-oculair gebied |
| 10 |
|
facetoog |
| 20 |
|
slaap |
| 4 |
|
Antenne |
| 5 |
|
scapus |
| 18 |
|
pedicel |
| 19 |
|
flagelum |
| 21 |
|
radicula |
| |
| |
| |
| |
| Wilde bijen: kop vooraanzicht |
Terug naar top pagina |
| Bij de determinatie zijn bij het vooraanzicht vaak de kleuren van de clypeus, supraclypeus, het para-oculair gebied en het labrum van belang. Soms zijn deze gedeelten allemaal geel, soms alleen de onderrand van de clypeus. tussen deze uiterste kan het variëren. Soms zijn de facetogen kort en dun behaard. De kaken (mandibula) kunnen een 1 of meer tanden hebben. De lengte of hoogte van de gena is voor verschillende soorten een belangrijk determinatie kenmerk. Bij het bovengedeelte van de kop kan de punctering en de structuur van het oppervlak van belang zijn. De tong is bij maskerbijen en zijdebijen, kort, en breed of tweelobbig; bij de overige soorten spits tot zeer dun en lang. |
 |
1 |
puntogen (ocelli) |
| 2 |
frontale lijn |
| 3 |
vertex |
| 4 |
supra-antennaal gebied |
| 5 |
scapus |
| 6 |
orbitale sutuur |
| 7 |
antenne sokkel |
| 8 |
supraclepeus |
| 9 |
para-oculair gebied |
| 10 |
Facetoog |
| 11 |
clypeus |
| 12 |
gena (wangen) |
| 13 |
labrum |
| 14 |
mandibula (kaken) |
| 15 |
galea |
| 16 |
glossa (tong) |
| 17 |
palpus maxillaris |
| |
|
| |
|
| |
|
| |
| |
| Wilde bijen: kop zijaanzicht |
Terug naar top pagina |
| Bij het zijaanzicht van de kop kan en de breedte van de slaap kan ondersteunend zijn bij het bepalen van een soort. Een aantal soorten hebben tandachtige uitstekels, die vooral van opzij goed zichtbaar zijn. De lengte van de gena (12) wordt meestal vanaf het zijaanzicht bepaald. |
 |
1 |
puntogen (ocelli) |
| 3 |
vertex |
| 4 |
supra-antennaal gebied |
| 5 |
scapus |
| 6 |
orbitale sutuur |
| 7 |
antenne sokkel |
| 8 |
supraclepeus |
| 9 |
para-oculair gebied |
| 10 |
Facetoog |
| 11 |
clypeus |
| 12 |
gena (wangen) |
| 13 |
labrum |
| 14 |
mandibula (kaken) |
| 20 |
slaap |
| |
|
| |
|
| |
|
| |
|
|
|
| |
| |
| |
| |
|
| Wilde bijen: achterpoot |
Terug naar top pagina |
 |
Poten, vooral de achterpoten zijn van belang voor het op naam brengen genera en soorten. |
| Bij de vrouwtjes is de structuur en de kleur van de beharing op de achterpoten, waarmee stuifmeel wordt verzameld een bruikbaar kenmerk. |
| Bij de mannetjes kunnen de tarsen (voetleden van de voorpoten) sterk verbreed of verdikt zijn. |
| Tussen de klauwen van de laatste tarsus kan bij sommige soorten een kleine uitstulping (hechtlapje) aanwezig zijn. |
| 1. Coxa (heup) |
| 2. trochanter (dijring) |
| 3. femur (dij) |
| 4. tibia (scheen) |
| 5. basistarsus (tarsus is voet) |
| 6. tibiale spoor |
| |
| |
| |
|
| |
| |
| Wilde bijen: rugzijde metasoma (Borststuk) |
Terug naar top pagina |
| Voor de determinatie is vooral het mesoscutum (8) van belang. Punctering, structuur van de punttussenruimte en de dichtheid, lengte en kleur van de beharing zijn kenmerken die het op naam brengen van een soort sterk kunnen ondersteunen. |
 |
1. |
thorax |
| 2. |
propodeum (onderdeel van het achterlijf!) |
| 3. |
Mesopleuron |
| 4. |
pre-episternale sutuur |
| 5. |
mesonotum |
| 6. |
pronotum )voorkant borststuk) |
| 8. |
mesoscutum |
| 9. |
achterlob van het pronotum |
| 11. |
tegula (vleugel schub) |
| 13. |
axilla (oksel) |
| 14. |
episternum |
| 15. |
scutelum |
| 16. |
metapleuron |
| 17. |
spirakel van het propodeum (voor ademhaling) |
| 18. |
metanotum |
| 19. |
zijveld |
| 20. |
driehoek van het propodeum |
| |
|
| |
|
| |
|
|
| |
| |
| Wilde bijen: Achterzijde propodeum |
Terug naar top pagina |
| Bij de determinatie op soortniveau is vooral driehoek van het propodeum van belang. Deze kan glad en glanzend zijn, maar ook dof en zeer rimpelig; alle varianten daar tussen in komen voor. |
 |
18. |
metanotum |
| 19. |
zijveld |
| 20. |
driehoek van het propodeum |
| 27. |
groef van het propodeum |
| |
| |
| Een grof gerimpeld middenveld van de rietsigaargalbij |
 |
|
| |
| |
| Wilde bijen: zijkant metasoma (borststuk) |
Terug naar top pagina |
| Van opzij gezien is bij sommige soorten de steijlheid van het propodeum (2) van belang bij de beschrijving. |
 |
1. |
thorax |
| 2. |
propodeum (onderdeel van het achterlijf!) |
| 3. |
mesopleuron |
| 4. |
pre-episternale sutuur |
| 5. |
mesonotum |
| 6. |
pronotum )voorkant borststuk) |
| 8. |
mesoscutum |
| 9. |
achterlob van het pronotum |
| 11. |
tegula (vleugel schub) |
| 12. |
pre-episternum |
| 13. |
axilla (oksel) |
| 14. |
episternum |
| 15. |
scutelum |
| 16. |
metapleuron |
| 17. |
spirakel van het propodeum (voor ademhaling) |
| 18. |
metanotum |
| 19. |
zijveld |
| 20. |
driehoek van het propodeum |
| 21. |
propleuron |
| 22. |
Coxa (heup) |
|
| |
| |
| Wilde bijen: onderkant mesosoma (borststuk) |
Terug naar top pagina |
| De onderkant van het borststuk is voor de determinatie vaak minder van betekenis dan de andere lichaamsdelen, maar kan soms wel van belang zijn. Zo heeft het wijfje bij de tuinmaskerbij en scherpe uitstekende richel aan de voorkant van het mesosternum (25) |
 |
6. |
pronotum |
| 13. |
preepisterum |
| 14. |
episternum |
| 16. |
metapleuron |
| 22. |
coxa (heup) |
| 23. |
propleuron |
| 24. |
prespecus |
| 25. |
mesosternum |
| 26. |
marginaal gebied vanhet propodeum |
| |
|
|
| |
| |
| Wilde bijen: Tong en monddelen |
Terug naar top pagina |
| Tong en monddelen spelen geen directe rol bij de determinatie. Zijn vooral van belang voor de indeling van wilde bijen in geslachten. Bij de meer primitievere bijen is de tong breed (maskerbijen) of breed en sterk tweelobbig (zijdebijen), maar lang en smal bij veel andere bijen geslachten onder meer bij: hommels, sachembijen, behangersbijen en metselbijen. |
|
|
| 1. maxilla (kaak) |
5. glosa |
| 2. prementum |
6. paraglossa |
| 3. lacinia |
7. palpus |
| 4. galea |
8. palpus maxilaris. |