Aandachtssoorten en aandachtsgebieden voor wilde bijen
Een paar honderd plantensoorten zijn belangrijk voor wilde bijen. Op deze lijst staan als voorbeeld 46 plantensoorten die vaak druk door verschillende soorten wilde bijen en honingbijen worden bezocht. Gespecialiseerde (olygolectische) soorten bijen zijn voor het grootste gedeelte van de meeste van deze planten afhankelijk.
Bij de meeste planten zijn voorbeelden van wilde bijen toegevoegd en om te laten zien dat planten voor bijen ook planten voor andere bloembezoekende insecten zijn, zijn ook van ca. 25 soorten dagvlinders foto's opgenomen. De vlinders symboliseren de overige insecten die van nectar en stuifmeel afhankelijk zijn.
Voor bijna alle planten die hier worden genoemd, moet men enige moeite doen om ze substantieel in de stand te houden of ze in de vegetatie te krijgen. Dit kan met behulp van ecologisch groenbeheer. Deze plantensoorten maken deel uit van plantengemeenschappen. Het stimuleren van een van de onderstaande plantensoorten bevordert ook andere plantensoorten waarmee deze plant het milieu deelt.
Er is een keuze gemaakt uit de (vrij) algemeen en minder zeldzame voorkomende plantensoorten en soorten die vrij gemakkelijk kunnen worden geïntroduceerd. De plantensoorten met een # zijn van levensbelang voor bijen die volledig (minstens locaal) van deze planten afhankelijk zijn. Nog steeds worden veel vegetaties, waarin deze planten voorkomen, vóór of tijdens de bloei gemaaid.
Als deze nectar- en stuifmeelplanten verdwijnen, verdwijnen ook de bijen die daarmee samenleven! Deze planten moeten in het jaar van de wilde bijen en de jaren daarna extra aandacht krijgen bij het vegetatie- en groenbeheer.
Een groot misverstand is dat wilde bijen die op meer soorten planten vliegen minder afhankelijk zijn van bepaalde planten. Maar vaak is het zo dat een bij die bijvoorbeeld op 10 plantensoorten vliegt, locaal afhankelijk is van één of enkele planten. In Europa of in Nederland kan een wilde bij weliswaar op 10 of meer plantensoorten worden waargenomen, maar locaal of regionaal kan dit beperkt zijn tot 1 soort. Dus ook de minder sterk gespecialiseerde soorten hebben locaal vaak weinig speelruimte om te kunnen overleven.
Slangenkruid bijvoorbeeld trekt bijen aan. Dat gebeurt in heel Nederland, maar in bepaalde gebieden kan een wilde bij een relatie met een speciale plant hebben of kan een groep bijen op bepaalde vegeaties zijn aangewezen. Deze gebieden worden hier aandachtsgebieden genoemd. Dat zijn gebieden waar men extra zijn best moet doen om deze plant-dierrelatie te behouden en te bevorderen.
 
 
 
Aandachtsgebieden Naar top pagina
De algemene regel is dat de wilde bijen aanzienlijk zeldzamer zijn of minder talrijk voorkomen dan de planten waar ze op vliegen. Dit heeft te maken met:
- de combinatie nestgelegenheid en drachtplanten die aanzienlijk minder voorkomt dan de drachtplanten zelf. Deze combinatie wordt ook heel vaak verstoord:
- de vestigingsduur en de stabiliteit van de drachtplant. Het 2-jarige slangenkruid is daar een goed voorbeeld van. Die heeft steeds open grond nodig om opnieuw te kunnen ontkiemen. Deze grond groeit meestal dicht. Nog voordat de wilde bijen die van deze plant afhankelijk zijn zich kunnen vestigen, is slangenkruid al weer verdwenen.
- het areaal van de bijen. Als een plantensoort buiten het areaal van de wilde bijensoort valt, is de kans klein dat deze bij wordt waargenomen.
- isolatie: het milieu kan zeer geschikt zijn, maar de afstand tussen de terreinen met dat geschikte milieu kunnen zo ver uit elkaar liggen dat ze door de bijen niet kan worden overbrugd. Dit kan te maken hebben met verstedelijking, schaalvergroting van landbouwbedrijven en de steeds toenemende verdichting van de infrastructuur.
Het zou mooi zijn als iedere plant van slangenkruid zou kunnen worden behouden, In principe zou men hier naar moeten streven. Maar vaak zijn de mogelijkheden daartoe beperkt. Dus moeten er prioriteiten worden gesteld. De beschikbare energie moet worden benut om plant-dierrelaties te bevorderen waar deze het meest kansrijk zijn. Deze kansrijke(re) gebieden worden hier aandachtsgebieden genoemd.
Een voorbeeld is Zuid- en Midden-Limburg wegens het voorkomen van de plant-dierrelatie slangenkruid-slangenkruidbij. Deze relatie kwam vroeger ook in Noord-Limburg voor. Omdat slangenkruid hier nog geregeld voorkomt zou bij een goed vegetatiebeheer en zorg voor nestgelegenheid de relatie met slangenkruidbij kunnen worden hersteld. Noord-Limburg is dus aandachtsgebied voor slangenkruid.
Per aandachtssoort zullen steeds 3 kaartjes worden getoond:
Verspreiding per bijensoort: Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (het opladen kan enkele minuten duren)
Aandachtsgebied: gebaseerd op eigen veldwerk en bovenstaande atlas
Verspreidingskaart per plantensoort: een ingekorte link van www.soortenbank.nl (uit deze linken blijkt duidelijk dat de wilde bijen die op deze planten vliegen aanzienlijk minder voorkomen dan de planten zelf).