Zoekkaart wilde bijen: akkerklokje en kansrijke gebieden voor wilde bijen Sluit deze pag. met kruisje rechts boven!
Akkerklokje is van oorsprong een zeldzame soort die door verschillende gespecialiseerde (oligolectische) bijen wordt bevlogen. Deze soort kwam vroeger vermoedelijk alleen in Zuid-Limburg en in sommige gebieden langs de grote rivieren wild voor (Weeda, 1991; ned. ecologische flora deel 4. pag.12).
Al rond 1960 en zeer waarschijnlijk ook voor die tijd was ook een tuinplant die sterk de neiging had om te verwilderen. Vooral als die met uitafval werd weggegooid. In buitenwijken en plekken die aan parken grensden was dat het geval. Als grasklokje er eenmaal staat kan hij zich decennia lang handhaven. In tuinen kan deze soort zich ontwikkelen tot een onuitroeibaar onkruid, met matige bloei.
Tocht zijn er een aantal plekken in het land waar akkerklokje het voordeel van de twijfel zou moeten genieten. Dat is Zuid-Limburg en sommige plekken langs de grote rivieren. In deze gebieden mag de plant niet voor de bloei worden gemaaid.
Voor de rest in Nederland is het een plant die goed toegepast kan worden in openbaar groen, parken landgoederen en grote tuinen. In de praktijk komt akkerklokje ook veel in kleine tuinen voor. Lees verder
Op plekken buiten het stedelijke gebied, ook al is de oorsprong niet natuurlijk, kan deze plant van betekenis zijn voor wilde bijen.
Verspreidingkaart akkerklokje: http://tinyurl.com/3mqjlck
 
 
 
 
 
   
   
-- Terug naar top
Als met iets voor de wilde bijen wilt doen is deze plant van harte aan te bevelen; het onkruidkarakter moet men dan maar op de koop toe nemen.
Wilde bijen op Akkerklokje: klokjesdikpoot (Melitta haemorrhoidalis) en klokjesbijen (Chelostoma rapunculi, C. campanularium); zandbijen (Andrena bicolor); groefbijen (Lasioglossum sexnotatum).
In een enkele tuin kunnen alle drie de klokjesbijen voorkomen, zelfs talrijk.
Voor verspreiding van klokje bijen en klokjes dikpoot zie: Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (pag.88, 89, 148)
Beheer
Op open plekken met rust laten, teveel schaduw voorkomen, in grasland na de bloei maaien (niet eerder dan augustus); randen van beplantingen alleen uitmaaien. In tuinen kan het onkruid karakter worden beperkt door aanplant van concurentiekrachtige soorten aan te planten. Dat zijn de meeste hoger (meer dan 0,6 m) opgaande vaste planten die tamelijk dichte clusters (stengels dicht bij elkaar) vormen en goed kunnen overwinteren.
Klokjesbijen (Chelostoma) nestelen boven de grond in holle afgestoven stengels en in kevergaten in doodhout. Als dat ontbreekt (in tuinen) vormen bijenhotels een goede nestgelegenheid.