| Zoekkaart voor wilde bijen en Bijenkalender |
Over deze zoekkaart |
| Naar zoekkaart wilde - solitaire- bijen |
| Deze zoekkaart wilde bijen en bijenkalender geeft een overzicht van wilde bijen |
|
|
| Nieuw en/of geupdate 19 febr. 2012: alle 8 soorten sachembijen |
Contact (ariekoster@bijenhelpdesk.nl) |
| |
| |
| --- |
| Jaar van de bij en Biodiversiteitsjaar zijn grotendeels synoniem |
| De positie van wilde - solitaire- bijen kan aanzienlijk worden verbeterd |
Centrale vraag in het jaar van de wilde bijen is:
Wat kunnen we doen om de positie van wilde bijen te verbeteren? |
| Als we wilde bijen willen bevorderen, moeten we zorgen voor bloemrijke landschappen en landschapselementen. |
| Nederland is een land dat in hoofdzaak bestaat uit steden en agrarisch cultuurlandschap. Als we de positie van de bijen, met name van de wilde (solitaire) bijen, willen verbeteren zal dat in hoofdzaak buiten de natuurreservaten moeten plaatsvinden. Het overgrote deel van de wilde bijen, ook de zeldzame en kritische soorten, kan in het cultuurlandschap voorkomen. |
| Deze website behandelt de biodiversiteit van het cultuurlandschap. In twee woorden samengevat: stad en platteland. Alle terreinen die niet tot de officiële natuurterreinen worden gerekend, zijn in deze twee gebieden de dragers van de biodiversiteit: het gebied waar de positie van wilde bijen moet worden verbeterd. Wilde bijen en bloemrijke landschapselementen zijn hier op een pagina bij elkaar gebracht. Deze koppeling moet ook in het landschap plaatsvinden. Dit moet het doel zijn van het Jaar van de bijen en dat was een belangrijk doel van het Biodiversiteitsjaar. Niet voor niets was de ”Bij” ambassadeursoort van het Biodiversiteitsjaar 2010. Wat dat betreft is het Jaar van de bij slechts een opvolger van dit biodiversiteitsjaar. |
| Het huidige agrarische cultuurlandschap wordt grotendeels gekenmerkt door bloemloosheid. Op zeer veel plaatsen en gebieden worden bermen en andere grazige landschapselementen verkeerd gemaaid. Ze worden geklepeld, of er wordt vóór of tijdens de bloei gemaaid. In de stedelijke omgeving wordt de bloemenrijkdom nog voornamelijk bepaald door tuinen. Door de grote dynamiek in tuinen, veroorzaakt door intensief onderhoud en modegevoeligheid, zijn de mogelijkheden voor biodiversiteit en vooral voor wilde bijen vaak zeer beperkt geworden Tuinen kunnen heel veel aan biodiversiteit bijdragen, maar het fundament voor biodiversiteit moet worden gevormd door het totale cultuurlandschap. Deze website laat zien hoe dat in de praktijk is te realiseren. |
| Laat het Jaar van de (wilde) bij vooral een jaar zijn van de praktijk van het bevorderen van wilde bijen en biodiversiteit in het algemeen. Zie verder bovenstaande links. |
| |
|
Terug naar start zoekkaart |
| |
| |
| -- |
Terug naar start zoekkaart |
| Zoekkaart voor wilde bijen |
|
|
| Deze tabel is gebaseerd op voorvleugels van wilde bijen. Aan de hand van deze vleugels kunnen wilde bijen in groepen (op genus/geslacht) worden ingedeeld. In een smal reageerbuisje kunnen levende wilde bijen op geslachtsniveau heel goed worden herkend. Ook een reeks van digitale foto's, die vooral geconcentreerd zijn op de vleugels, kunnen uitkomst bieden bij het herkennen van wilde bijen Klik hier voor voorbeeld. |
| De mannetjes kunnen het beste op geslachtsnaam worden gebracht aan de hand celstructuur van de voorvleugels. Mannetjes hebben geen scopa of buikschuier; soms zijn de mannetjes niet of nauwelijks van de vrouwtjes te onderscheiden: vrouwtjes hebben 12 antennenleden, mannetjes 13. |
| |
| Zoek een wilde bij met: |
| 3 submarginale cellen in de voorvleugels |
| |
| 2 submarginale cellen in de voorvleugels |
| |
| Zoek op Habitus - Met dit zoekgedeelte kan een beperkt gedeelte van de wilde bijen op geslacht worden ingedeeld. Vooral mannetjes die kleiner zijn dan 8-6 mm moeten aan de hand van de vleugels de naam van het geslacht worden bepaald. |
| |
| - afkorting: Sm.cellen = submariginale cellen |
|
|
 |
 |
| |
| |
| |
| -- |
|
| Wilde bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels |
|
| Sm.cellen even groot ---check: puntogen op een rechte lijn Hommels; puntogen in een driehoek- check: Sachembijen |
| 3e Sm.cel groter dan de 1e of 2e Sm.cel; bijen groot (2-3 cm) en gedrongen/breed, blauwzwart, met blauwe metaalglans: Houtbij |
3e Sm.cel even groot als de 1e Sm.cel, maar groter dan de 2e; grote bijen met witte haarbundeltjes op achterlijf -check: Rouwbijen
of bijen klein, kaal en slank en met metaalglans; puntradiaalcel raakt rand niet- check: Blauwe erstbij |
| 2e Sm.cel ongeveer even groot als de 3 Sm-cel: top radiaalcel van de vleugelrand verwijderd ---check: Viltbijen |
| 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel; radiaal cel versmald en met top tegen vleugelrand -- check |
| |
Slanke wespachtig gekleurde bijen --- check:--- Wespbijen |
| |
Vrijwel kale bijen met rood achterlijf en meestal met zwarte punt; basaalader duidelijk gebogen - Check: - Bloedbijen |
| |
Punt achterlijf met groefje en basaalader sterk gebogen - check: --- Groefbijen |
| |
Vrouwtjes met fimbria en/of basaalader weinig gebogen - check: ---- Zandbijen |
| |
Klauwlid sterk verdikt; lijken veel op zandbijen--- check: --- Dikpootbijen |
| |
Achterlijf met strakke viltige haarbanden, tong 2-lobbig--- check: --- Zijdebijen |
|
| |
|
|
| Ga door naar blad 2: voorvleugels met 3 submarginale cellen |
Terug naar top tabel |
| |
| |
| |
| |
| |
| Wilde bijen met 2 submarginale cellen in de voorvleugels |
| Radiaalcel naar de top toe versmald, met top tegen of vrijwel tegen vleugelrand; poten zie foto's:-- check: -- Slobkousbijen |
| Radiaalcel aan top recht afgesneden; bijen volledig zwart-- check:-- Roetbijen |
Radiaalcel afgerond of spits en en raakt de vleugelrand niet.Ga verder
|
| 1e Sm.cel veel kleiner dan 2e; mannetje met opvallend lange antennen-- check: - Langhoornbijen |
| 1e Sm.cel groter dan 2e Sm.cel -- check |
| |
Bijen 4-9 mm, zwart, vrijwel onbehaard, gezicht geel of met gele vlekken: Maskerbijen |
| |
Bijen 13 -15 mm, sterk behaard: Pluimvoetbij |
|
1e Sm.cel ongeveer even groot als 2 Sm.cel; vrouwtjes meestal met buikschuier - Ga verder of zoek hier onder
|
| ----- 2e discoidale dwarsader mondt uit voor 2e Sm.ader: check |
| |
Klauwlid zonder hechtlapje en achterlijf afgeplat en achterranden van de tergieten vaak ingesnoerd: Behangerbijen |
| |
Klauwlid met hechtlapje; bijen vrij breed en gedrongen, tergieten niet ingesnoerd: Metselbijen |
| |
Klauwlid met hechtlapje; voorkant achterlijf met een verdikte rand: Tronkenbij |
| |
Klauwlid met hechtlapje; bijen zwart en slank: Klokjesbijen; |
| |
Buikschuier ontbreekt, met spits achterlijf, of bij mannetjes op het einde getand: Kegelbijen |
|
----- 2e discoidale dwarsader mondt uit achter of in 2e Sm.ader: check
|
|
|
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| --- |
|
| Zoek op Habitus |
m = mannetjes v = vrouwtjes |
voor terug klik steeds op zoek op habitus |
Terug naar top tabel |
|
| |
| Bijen met duidelijke gele, rode of witte kleuren in het achterlijf |
| Achterlijf met opvallende gele wespachtige patronen (m en v): bijen breed Wolbijen; bijen slank Wespbijen |
| Achterlijf geheel of gedeeltelijk rood: Bloedbijen (m en v); (soms Zandbijen, Groefbijen of zeer zelden Maskerbijen) |
| Bijen met witte tot geelwitte contrasterende viltvlekken op het zwarte achterlijf (m en v): Viltbijen |
| |
| Hommelachtige bijen: hommelachtig behaard of een hommelachtige habitus |
| Hommels: sterk behaarde, en meestal levendig gekleurde bijen (m en v): Hommels |
| Grote, hommelachtige blauwzwarte bijen met een blauwe metaalglans (m en v): Houtbij |
| Hommelachtig, sterk bruinachtig behaarde bijen (m en v): Sachembijen (gewone sachembij, andoornbij) |
| Bijen hommelachtig behaard en met buikschuier (alleen v): Metselbijen (rosse metselbij, gehoornde metselbij) |
| Dicht bruinrood behaarde met minder hommelachtig postuur (alleen v) zandbijen (vosje) |
| |
| |
| Overige wilde bijen |
| |
| |
|
| |
| -- |
| Zoek op Habitus: Overige wilde bijen |
| Bijen met een buikschuier (alleen v): Behangersbijen, Metselbijen, Tronkenbijen, Klokjesbijen, Wolbijen of naar Tabel |
| Bijen met groefje in punt achterlijf met haarbanden of viltvlekken (alleen v): Groefbijen |
| Achterlijf zeer spits (alleen v): Kegelbijen |
| Bijen met tanden aan einde achterlijf (alleen m): Wolbijen en Kegelbijen |
| Bijen geheel zwart en slank (m en v), vrijwel altijd in gele composieten met een paardenbloemachtige bloeiwijze: Roetbijen |
| Kleine, kale overwegend zwarte bijen met een geel gezicht (m) of gezicht gele strepen of vlekken naast ogen (v): Maskerbijen |
| Antennen zeer lang, iets korter dan de bij zelf (m): Langhoornbijen |
| Bijen met strakke viltige haarbanden op het achterlijf en/of duidelijke 2-lobbige tong(m en v): Zijdebijen |
| Bijen met een duidelijk fimbria of dergelijke beharing: (alleen v): Zandbijen, Dikpootbijen |
| Poten met korte, dichte, witte contrasterende beharing op achterschenen (v); bij grote wederik; m. met geel gezicht: Slobkousbijen |
| Bij sterk behaard, verzamelharen op achterpoten opvallende lang en dicht (v): Pluimvoetbij |
| Bruinachtige of zwart behaarde bijen met witte haarbundels/-vlekken aan zijkant van het achterlijf (v en vaak m): Rouwbijen |
| |
| Terug naar top Zoek op habitus |
|
| |
| |
|
| |
|
|
|
| Hommels - Bombus |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: Sm-cellen ongeveer even groot |
|
 |
 |
 |
| Hommels zijn de meest opvallende wilde bijen. Door hun beharing kunnen ze niet met andere bijen worden verward. Vooral door de grote, pelsachtig behaarde en opvallende gekleurde koninginnen die al vroeg in het voorjaar vliegen. Vaak zijn ze door hun laag zoemend geluid ook duidelijk hoorbaar. |
| Hommels hebben een lange tong waarmee ze nectar kunnen zuigen van bloemen met een relatief lange kroonbuis. Honingbijen, die een kortere tong hebben, zijn daar vaak niet toe in staat. Verder hebben ze aan hun achterpoten een korfje waarin ze stuifmeel verzamelen en transporteren.
Voorvleugels met 3 submarginale cellen, puntogen staan in een zeer stompe hoek of anders gezegd bijna in een rechte lijn. |
| Hommels kennen net als honingbijen een sociale levenswijze. Er is een koningin en er zijn werkers. In het vroege voorjaar maakt de koningin zelf een begin met het stichten van een hommelvolk. Na enige weken wordt dat door de eerst uitkomende bijen overgenomen. Deze bijen zijn meestal klein. Vaak nog kleiner dan de rosse metselbij die ook vrij vroeg in het voorjaar vliegt. Geleidelijk aan worden de hommels groter. In de zomer bereikt het hommel volk zijn volle omvang, de nieuwe koninginnen worden bevrucht. Deze koninginnen blijven vliegen tot in de nazomer of vroege herfst. Ze gaan dan ook op zoek naar een overwinteringsplaats. |
| Overzicht soorten |
Links en Literatuur |
|
| |
| |
| |
| |
| Overzicht van hommels in Nederland |
| In Nederland zin in totaal 29 soorten hommels waargenomen. 7 hommels zijn koekoeksbijen die bij andere hommels parasiteren. De helft van deze hommels is zeldzaam tot zeer zeldzaam of zelfs in Nederland verdwenen. Hommels zijn zeer variabel en lijken vaak veel op elkaar. Een voorbeeld hiervan is de aardhommel en de grote aardhommel die in het veld en op een foto niet of nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden. Mannetjes moeten vaak aan de hand van de genitaliën worden gedetermineerd. |
|
| Terug naar beschrijving hommels |
| |
| |
| |
| |
| Links en literatuur |
| Een aantal links geeft goede informatie en/of beeldmateriaal: |
| Voorlopige Atlas van de Nederlandse bijen (het opladen kan tot ca. 1 min. duren) |
| http://www.nederlandsesoorten.nl/nsr/concept/0AHCSVSKTEAO (overzicht Nederlandse hommels) |
| http://www.nev.nl/hymenoptera/determinatie_bombus.html (Literatuuroverzicht over determinatie van hommels) |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/hummeln.htm ( toont ruim 40 Europese soorten. Van de algemene en de minst zeldzame soorten worden de links afzonderlijk opgegeven. |
| http://www.nhm.ac.uk/research-curation/research/projects/bombus/ (een zeer uitvoerige Engelse website over hommels) |
| http://nl.wikipedia.org/wiki/Hommels (Wikipedia gaat uitvoerig in op hommels en geeft ook verder links) |
| Terug naar beschrijving hommels |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
| Sachembijen - Anthophora |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: Sm-cellen ongeveer even groot |
|
 |
 |
 |
Grote (14-16 mm), meestal bruinachtig, soms zwart behaarde hommelachtige bijen, met een opvallende lange tong; voorvleugels met drie submarginale, ongeveer even grote cellen; de puntogen staan in een driehoek; bij hommels staan ze bijna op een rechte lijn. |
 |
 |
| |
| Meer informatie over sachembijen en overzicht soorten |
| |
| |
| |
| Meer informatie over sachembijen en overzicht soorten |
De meest voorkomende soort is de gewone sachembij, die vrijwel in alle streken van ons land voorkomt en vaak in tuinen is aan te treffen.
Vrouwtje gewone sachembij met roestrode verzamelharen op de achterpoten (de kleur is door het stuifmeel vaak niet te zien). Mannetjes (alle soorten) met geel gezicht.
In Nederland zijn 8 soorten waargenomen. Alleen de gewone sachembij is algemeen, de overige zijn zeldzaam (of minder algemeen) tot zeer zeldzaam of uit ons land verdwenen.
|
|
| Algemene tot zeldzame soorten |
Overige soorten: uitgestorven of zeer zeldzaam |
| Anthophora plumipes - bij nest |
Gewone sachembij |
Anthophora aestivalis |
Mooie sachembij |
| Anthophora furcata |
Andoornbij |
Anthophora bimaculata |
Kleine sachembij |
| Anthophora quadrimaculata |
Kattenkruidbij |
Anthophora borealis |
Noordelijke sachembij |
| |
|
Anthophora plagiata |
Schoorsteensachembij |
| |
|
Anthophora retusa |
Zwarte sachembij |
| De twee soorten die het meeste worden gezien zijn de gewone sachembij (algemeen) en andoornbij (zeldzaam tot vrij algemeen) |
| In het veld zijn de vrouwtjes zeer goed te onderscheiden. |
| Het achterlijf van de andoornbij heeft een oranjeachtige behaarde punt; de gewone sachembij heeft dat niet. |
| De mannetjes van de andoornbij zijn min of meer lichtbruin behaard; de gewone sachembij is donkerder en gevarieerder behaard. |
| In combinatie met deze globale kenmerken zijn deze bijen ook door de vliegseizoenen goed te onderscheiden. De gewone sachembij vliegt van half maart tot eind mei; de andoornbij van eind mei tot in augustus. Er is een kleine overlapping. Maar de eerstgenoemde soort is dan afgevlogen (heeft rafelige vleugeluiteinden, kaler en verbleekt) de tweede soort is nog helemaal fris. |
| Voor het herkennen van de overige soorten wordt in combinatie met de beschrijvingen en de foto's op deze zoekkaart verwezen naar de Determinatietabel voor alle Nederlandse sachembijen |
|
| Terug naar beschrijving Sachembijen |
| |
|
| |
| |
|
| Houtbijen - Xylocopa |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel groter dan de 1e of 2e Sm.cel |
|
 |
 |
 |
Grote (20- 30 mm) zwarte bijen met donkere blauwmetaalachtig getinte vleugels; voorvleugels met 3 submarginale cellen; de 3e cel groter dan de 1e of de 2e cel. De grootste bij in Zuidelijk Europa.
De mannetjes en vrouwtjes overwinteren en paren in het voorjaar. Door de grootte en de kleur is deze bij met geen enkele andere bij te verwarren.
Het mannetje heeft een geknikte antennentop en daar onder met enkele geel getinte antennenleden (foto rechts); de antennetop van het vrouwtje is niet geknikt en de antenne is geheel zwart.
In Nederland wordt de houtbij geregeld waargenomen. |
 |
| |
| Meer informatie houtbijen |
| |
|
|
|
| |
|
| Rouwbijen - Melecta |
Bijen met 3submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel ongeveer even groot als de 1e Sm.cel, maar groter dan de 2e |
|
 |
 |
 |
Grote behaarde bijen (12-16 mm); achterlijf zwak, maar goed zichtbaar toegespitst; zijkanten borststuk (op scutellum) met tand tussen beharing; tussen de beharing; voorvleugel met 3 submarginale cellen de middelste cel kleiner dan de twee andere; witte viltachtige vlekken op het achterlijf. Mannetjes en vrouwtjes zijn in het veld niet van elkaar te onderscheiden. Met andere bijensoorten is de bruine rouwbij nauwelijks te verwarren. Metatarsus is bij het mannetje tandachtig verlengd. In Nederland komen 2 soorten voor De bruine rouwbij is in delen van het land vrij algemeen; de witte rouwbij is zeldzaam.
Meer informatie: |
 |
|
| |
| |
|
|
| |
|
| Cyaanbij - Ceratina cyanea |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel ongeveer even groot als de 1e Sm.cel, maar groter dan de 2e |
|
 |
 |
 |
Kleine (6-7 mm), vrijwel kale, slanke bijen met een sterke metaal (cyaanblauw) glans, en een sterk gepuncteerd lichaam. Vleugels met 3 submarginale cellen; de 3e Sm.cel ongeveer even groot als de 1e Sm.cel; de top van de radiaal cel is duidelijk van de vleugelrand verwijderd. De verzamelharen op de achterpoten (scopa) zijn kort en de scopa is ijl. De antennen zijn kort en bij het mannetje zwak knotsvormig. De mannetjes (foto rechts) hebben een witte tot geelwitte vlek op hun gezicht (Clypeus). In Nederland komt 1 soort voor.
|
 |
| Meer informatie blauwe ertsbij |
| |
|
|
| |
| |
| |
|
| Viltbijen - Epeolus en Epeoloides |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel; top radiaalcel (rc) van de vleugelrand verwijderd en met een kort aderaanhangsel - |
|
 |
 |
 |
| Kleine kale bijen met grote sterk contrasterende witte tot geelwitte viltvlekken op een zwart achterlijf. Bij de bonte viltbij is het achterlijf voornamelijk rood of geelachtig rood en zijn de viltvlekken minder opvallend. Beide bijengeslachten hebben 3 submarginale cellen; de 3e cel is kleiner dan de 1e; de 1e en de 2e cel zijn ongeveer even groot. De radiaalcel min of elliptisch; de top is van de vleugelrand verwijderd en heeft een kort aderaanhangsel. In Nederland komen 5 soorten viltbijen voor. De heideviltbij en de gewone viltbij komen het meest voor. De overige zijn zeldzaam of mogelijk uit ons land verdwenen. |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-epeol.htm |
| Epeoloides coecutiens -- Bonte viltbij |
|
 |
|
| |
| |
| |
|
| Wespbijen - Nomada |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel |
|
 |
 |
|
| Vrijwel kale, slanke bijen met gele tot rode wespachtige kleurpatronen op het achterlijf; ook andere lichaamsdelen kunnen rood of geel zijn gekleurd; aan dit kleurpatroon danken ze de naam wespbij; lengte 8 tot 14 mm. Voorvleugels met 3 submarginale cellen; de 3e cel ca. even groot als de 2e . De vrouwtjes zijn te herkennen aan de dichte haarfranjes aan het einde van het 5e tergiet (rugsegment). In het algemeen zijn de soorten zeer lastig van elkaar te onderscheiden. Zelfs met goede optische middelen is veel ervaring vereist. Bij het herkennen van de bijen bieden foto’s vaak geen uitkomst. Ze leiden een parasitaire levenswijze. Het zijn koekoeksbij bij zandbijen en , soms bij roetbijen. Door de parasitaire levenswijze zijn de soorten niet aangewezen op bepaalde stuifmeelplanten. |
|
|
 |
| Overzicht soorten |
| Voor determinatie en meer informatie: http://www.repository.naturalis.nl/document/93865 |
| |
| |
|
| Overzicht meest algemene soorten: http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-nomad.htm |
| Foto-overzicht: http://www.rutkies.de/bienen-8/index.html |
| Terug naar beschrijving wespbijen |
| |
| |
|
| Bloedbijen - Sphecodes |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel |
|
 |
 |
 |
| Vrijwel kale bijen met veelal een grotendeels rood achterlijf; de bijen zijn verder zwart rood getekend en hebben meestal een zwart uiteinde. Lengte 6 tot 14 mm. Voorvleugels met 3 submarginale cellen die duidelijk in grootte verschillen; de 3e cel is ongeveer even groot als de 1e; de middelste cel is het kleinst. De radiaalcel is in de richting van de vleugeltop versmald en raakt bijna de vleugelrand, de basale ader is net als bij de groefbijen duidelijk gebogen. De vrouwtjes hebben nauwelijks verzamelharen (scopa); dit in verband met hun parasitaire levenswijze.
De vrouwtjes van de bloedbijen onderscheiden zich van de groefbijen door de afwezigheid van de middengroef op het 5e rugsegment. Bij de mannetjes zijn de sprietleden min of meer viltig behaard en zeer knobbelig; kopschild in tegenstelling met groefbijen geheel zwart. |
| Meer informatie over bloedbijen |
Overzicht soorten |
|
 |
| Genus sphecodes: http://tinyurl.com/5vu7lrr (Nederlands Soortenregister) |
| Genus sphecodes: http://zoologie.umh.ac.be/hymenoptera/page.asp?id=46 (detailfoto's, vooral van genitaliën mannetjes) |
| Genus Sphecodes: http://www.tierundnatur.de/wildbienen/wbarten.htm |
| |
| |
|
|
| |
| |
|
| Groefbijen - Halictus en Lasioglossum |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel |
|
 |
 |
 |
| Halictus lijkt het meeste op kort behaarde tot op het oog kale zandbijen met haarbandjes op het achterlijf. De wijfjes van beide geslachten (Halictus en Lasioglossum) zijn duidelijk te herkennen aan een smalle, onbehaarde lengtegroef op het laatste tergiet (rugsegment); aan beide zijde van de groef is de beharing viltachtig dicht en kort. De voorvleugels hebben net als bij de zandbijen 3 submarginale cellen. De voorvleugel verschilt duidelijk met die van de zandbijen door de gebogen basaalader (b.a.). Eindranden tergieten met witte haarbandjes. De beharing of de achterpoten is minder dan die van de zandbijen: het dijflosje (floccus) ontbreekt. Bij Lasioglossum ontbreken de haarbandjes en hebben vaak viltvlekken (Foto rechts v.v.) op het achterlijf. In Nederland zijn 9 soorten van halictus en 40 soorten van Lasioglossum waargenomen; meer dan de helft hiervan is zeldzaam tot zeer zeldzaam of reeds uit Nederland verdwenen. |
 |
|
|
|
|
| |
| |
|
| Terug naar beschrijving groefbijen |
| |
| |
|
 |
 |
 |
| Zandbijen zijn in het algemeen matig tot dicht behaarde bijen van ca. 6 tot 16 mm lang. Het uitwendige skelet is meestal donker gekleurd (meestal zwart of donker bruinachtig), bij sommige soorten ten dele rood of met een metaalglans. |
| Het borststuk is meestal dicht behaard; het achterlijf kan zeer dicht behaard zijn, maar ook vrijwel kaal. De beharing is vaak gekleurd (wit, zwart, bruinachtig, minder geelachtig), deze kleuren verbleken snel. |
| Zowel de tergieten, als de sternieten kunnen op het eind dichte haarbandjes hebben. |
| De wijfjes hebben op het 5e rugsegment een dichte rij haren die fimbria wordt genoemd. |
| De voorvleugel heeft 3 submarginale cellen. De 1e cel is duidelijk groter dan de 3e en de 2e is kleiner dan de 3e. De basale ader (b.a.) is zwak gebogen. |
| De achterpoten van het vrouwtje zijn dicht behaard: met gekromde haren aan de dijring (floccus) en een dichte lange beharing om hun poten (scopa). Zowel met de floccus als met de scopus wordt stuifmeel verzameld. |
| In Nederland zijn 72 soorten zandbijen waargenomen. Ca. 50% hiervan is (zeer) zeldzaam, uitgestorven of ooit een enkele keer waargenomen. |
|
|
|
| |
| |
| |
| |
|
|
| Dikpootbijen - Melitta |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel |
|
 |
 |
|
| Duidelijk behaarde bijen (10-13 mm) , die in het veld het meeste doen denken aan zandbijen; bij de vrouwtjes met haarbandje op het einde van de tergieten; de mannetjes zijn lang behaard. Voorvleugels met drie submarginale cellen; de 3e cel kleiner dan de 1e; radiaalcel naar de vleugelrand versmald en de 2e en 3e cel duidelijk in grote verschillend (foto's volgen). Klauwlid (kl) opvallend dik (foto links) ten opzichte van zandbijen (foto rechts) en groefbijen. Bij de mannetjes is het eind lid van de sprieten schuin afgesneden/afgeknot en zijn de sprietleden afzonderlijk sterk gebogen (foto rechts). De afgebeelde soort is Klokjesdikpoot die op Campanula's vliegt en die in het grootste deel van het land ook in tuinen voorkomt. Kattenstaartbij komt veel minder vaak in tuinen voor. In Nederland komen 4 soorten voor. De meest algemene soort is klokjes dikpoot die ook veel in steden en tuinen voorkomt. Meer informatie over enkele soorten: |
 |
|
| |
|
|
| |
| |
| |
|
| Zijdebijen - Colletes |
Bijen met 3 submarginale cellen in de voorvleugels: 3e Sm.cel kleiner dan 1e Sm. cel |
|
 |
.JPG) |
 |
| Zijdebijen zijn matig behaarde bijen (7-15 mm). De meeste soorten hebben strakke, contrasterende haarbandjes op de eindrand van de tergieten (segmenten). Die ontbeken bij de grote zijdebij; verder meestal ook een basale haarband op het tweede tergiet. De voorvleugels hebben 3 submarginale cellen: de 1e is veel groter dan de 3e; de 2e en 3e zijn ongeveer even groot. Samen met maskerbijen (Hylaeus) is de tweelobbige tong het meest kenmerkend. Die is met een loep gemakkelijk te zien (zie foto rechts). Verzamelharen: bevinden zich op de achterpoten en zijn vergeleken met andere niet parasitaire bijengeslachten slecht ontwikkeld. In Nederland komen 9 soorten voor. 4 soorten hiervan zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam. Meer informatie over enkele soorten: |
 |
|
| Meer informatie over zijdebijen |
|
|
| |
| |
|
| Slobkousbijen - Macropis |
Bijen met 2 submarginale cellen in de voorvleugels: top radiaalcel tegen vleugelrand |
|
 |
 |
 |
| Kleine/middelgrote (8-10 mm), gedrongen, weinig behaarde bijen. Het achterlijf is ovaal, zwart, sterk glanzend en met witte haarbandjes aan op het einde van de laatste tergieten. Voorvleugel met 2 submarginale cellen; top van de radiaalcel versmald en raakt de vleugelrand. Gezicht zwart; zwarte en witte verzamelharen op de achterpoten, waarmee ze naar verhouding tot het lichaam zeer grote hoeveelheden stuifmeel verzamelen. Aan de witte, korte borstelvormige beharing op hun achterpoten die zeer contrasterend zijn met de rest van de poten heeft deze bij zijn naam te danken. De mannetjes en hebben een geel gezicht en de achterpoten zijn sterk verdikt. In Nederland komen 2 soorten voor. De gewone slobkousbij is buiten de kustprovincies vrij algemeen en de bruine slobkoustbij is uiterst zeldzaam. |
|
| |
| Meer informatie over slobkousbij |
Slobkousbij in de tuin |
|
| |
| |
| |
|
| Roetbijen- Panurgus |
Bijen met 2submarginale cellen in de voorvleugels: radiaal cel weinig versmald, top afgerond of recht afgesneden en raakt de vleugelrand niet |
|
 |
 |
 |
| |
Zwarte, glanzende, weinig behaarde, vrij slanke, kleine tot middelgrote bijen (7-12 mm); kop relatief groot ten opzicht van het borststuk. De voorvleugels hebben 2, bijna even grote submarginale cellen; de radiaalcel is weinig versmald en aan het einde min of meer recht afgesneden (afgeknot), de top van deze cel raakt de vleugelrand niet. De achterranden van de tergieten iets naar beneden gedrukt (verdiept). Kaken spits en zonder tanden; antennen zijn relatief kort en zwak knotsvormig. Achterschenen bij vrouwtjes met lange dichte verzamelharen (scopa) en einde achterlijf (5e en 6e tergiet) duidelijk dichter behaard dan het gedeelte er voor.
In Nederland komen twee soorten roetbijen voor: grote roetbij - Panurgus banksianus en kleine roetbij - Panurgus calcaratus die soms in dezelfde bloem voorkomen(foto links). De mannetjes zijn goed te onderscheiden door de antenne. Bij de kleine roetbij is de onderkant (aan 1 kant) iets uitgestulpt en vaak roodbruin gekleurd (foto links boven) |
 |
|
|
|
|
| |
| |
| |
|
| Langhoornbijen - Eucera |
Bijen met 2 submarginale cellen in de voorvleugels: 1e Sm.cel vel kleiner dan 2e Sm-cel |
|
 |
 |
 |
| Vrij grote (13-16 mm) opvallend dicht behaarde bijen (bij niet afgevlogen exemplaren). De mannetjes met een opvallend lange antenne waaraan dit bijengeslacht zijn naam aan ontleent. De voorvleugels hebben 2 submarginale cellen; de 1e cel is duidelijk kleiner dan de 2e cel. De radiaalcel is aan het einde afgerond en de top is duidelijk van de vleugelrand verwijderd. Kaken met 2 tanden. De antenne bij het mannetje zijn bijna net zo lang als het lichaam. Langhoornbijen hebben een opvallend lange tong. In Nederland komen twee soorten langhoornbijen voor: de gewone langhoornbij (Eucera longicornis) en zuidelijke langhoornbij (Eucera nigrescens).
Beide soorten langhoornbijen verschillen weinig in grootte; de mannetjes en vrouwtjes zijn gemiddeld even groot, maar een mannetje kan wel zichtbaar kleiner zijn dan een vrouwtje. Zowel de vrouwtjes als de mannetjes zijn geelbruinachtig behaard, maar verblekend naar mate de bijen ouder worden (meer afgevlogen zijn). De vrouwtjes hebben brede haarbanden waarvan alleen die van het 4e tergiet doorloopt (volledig is). |
 |
|
| Meer informatie over langhorenbijen |
|
|
| |
| |
| |
|
| Maskerbijen - Hylaeus |
Voorvleugels met 2 submarginale cellen: 1e Sm.cel groter dan 2e Sm.cel |
|
 |
 |
|
| kleine (4,5-9,0 mm), met uitzondering van de haarbandjes op de zijkanten van het achterlijf, kale en meestal zwarte bijen; het gezicht te geheel of gedeelte lijk geel tot geel wit getekend. verzamelharen ontbreken; nectar en stuifmeel wordt met de mond verzameld; voorvleugels met twee submarginale cellen, waarvan de eerste duidelijk groter is dan de tweede De top van de radiaalcel is eliptisch, iets van de vleugelrand verwijderd en voorzien van een kort aderaanhangsel. Het vrouwtje heeft meestal twee langwerpige tot driehoekige of ronde vlekken op het gezicht; de basis van de antenne slank. Het gezicht van het mannetje is tussen de ogen meestal volledig gekleurd. De basis van de antenne vaak matig tot sterk verbreed. |
 |
| |
| Meer informatie over maskerbijen |
Overzicht soorten |
|
| |
| |
| |
| |
| Hylaeus-Maskerbijen |
| In Nederland zijn 21 soorten maskerbijen waargenomen; 12 soorten hiervan zijn zeer zeldzaam of niet meer in ons land aanwezig. |
| Hylaeus annularis |
Brilmaskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus brevicornis |
Maskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus communis |
Gewone maskerbij |
In prep |
http://www2.pms-lj.si/andrej/hylcom.htm |
| Hylaeus confusus |
Maskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus cornutus |
Gehoornde maskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus gibbus |
Maskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus hyalinatus |
Tuinmaskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus pectoralis |
Rietsigaarbij |
In prep |
|
| Hylaeus pictipes |
Maskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus punctulatissimus |
Lookmaskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus signatus |
Resedamaskerbij |
|
|
| Hylaeus spilotus |
Duinmaskerbij |
In prep |
|
| Hylaeus variegatus |
Rode maskerbij |
In prep |
|
|
| |
| Terug naar beschrijving maskerbijen |
| |
| |
| |
|
| Pluimbvoetbijen - Dasypoda |
Voorvleugels met 2 submarginale cellen: 1e Sm.cel groter dan 2e Sm.cel |
|
 |
 |
 |
Pluimvoetbij is een vrij grote, tamelijk behaarde bij (lengte 13-15 mm) die in de vlucht aan een honingbij doet denken, vooral het mannetje. Voorvleugels met 2 cubitale cellen. De 1e cel is groter dan de 2e. kop en borststuk geelbruin behaard, met donker gedeelte op het borststuk. Tergieten 2-4 (achterlijf ) met witte haarbanden. In verhouding tot andere bijen zeer lange verzamelharen aan de achterpoten (scopa) waarmee grote hoeveelheden stuifmeel vervoerd kan worden. Door deze haren is het wijfje zeer goed in het veld herkenbaar en niet te verwarren met andere bijen. Het mannetje (rechtsboven) is vrij ruig behaard; met geelbruine en witachtige beharing; de poten zijn lang en smal.
Pluimvoetbij nestelt in de grond en vaak in grote groepen bij elkaar valt daar door vaak op. Met uitzondering van zeeklei en veengebieden is pluimvoetbij vrij algemeen door het hele land. |
 |
| Pluimvoetbij graaft een nest |
| Meer informatie over pluimvoetbij |
|
|
| |
| |
| |
| |
|
| Behangersbijen - Mechachile |
Bijen met 2 submarginale cellen: 2e teruglopende ader (t2) mondt uit voor 2e Sm.ader; vrouwtjes met buikschuier |
|
 |
 |
 |
Habitus: Grote tot middelgrote (10-16 mm), matig tot tamelijk dicht behaarde bijen met een enigszins afgeplat achterlijf; de vrouwtjes hebben aan de onderkant van het achterlijf een buikschuier waarmee stuifmeel kan worden verzameld.
Het achterlijf is in de vlucht naar boven gewelfd; bij sommige soorten hebben de mannetjes opvallend verbrede voeten (tarsus, foto rechtsboven) aan de voorpoten.
De voorvleugels hebben 2 ongeveer even grote submarginale cellen; de tweede teruglopende ader mondt uit in de tweede submarginale cel. Klauwen zonder hechtlapje (afbeeldingen volgen).
De nesten worden bekleed met ovale stukjes blad die ze met hun kaken uit allerlei planten uitsnijden. Van daar de naam behangersbij of bladsnijder. Planten die onder meer worden gebruikt zijn roos, hosta en geranium. |
 |
| |
| Overzicht soorten |
|
|
| |
| |
| |
| |
| -- |
| Megachile-Behangersbijen |
| In Nederland zijn 13 soorten behangersbijen waargenomen waarvan 6 soorten landelijk of regionaal min of meer algemeen zijn. |
|
| |
| Terug naar beschrijving behangersbijen |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
| Metselbijen - Osmia |
Bijen met 2 submarginale cellen: 2e teruglopende ader (t2) mondt uit voor 2e Sm.ader; vrouwtjes met buikschuier |
|
 |
 |
 |
Enigszins kleine tot grote bijen (8-15 mm); de beharing varieert van zeer dicht, zoals bij hommels, tot vrijwel kaal met uitzondering van haarbandjes. Het achterlijf is min of meer ovaal en niet zoals bij behangersbijen afgeplat. Net als de bij de andere buikverzamelaars hebben de voorvleugels 2 submarginale cellen die ongeveer even groot zijn. De tweede teruglopende ader mondt uit in de tweede submarginale cel. Een belangrijk onderscheidend kenmerk ten opzichte van behangersbijen is het zogenaamde hechtlapje tussen de klauwen (foto rechts; foto is gekanteld). Rosse metselbij. Is een van de meest voorkomende bijen in ons land. Hij komt in de meeste tuinen voor. Deze bijen zijn roodbruin behaard het vrouwtje aanzienlijk meer dan het mannetje (foto rechts).
Wijze van nestelen - is zeer gevarieerd; voor de nesten wordt gebruik gemaakt van plantenstengel, dood hout met kevergangen, allerlei holtes in muren, en diverse soorten kunstmatige nestgelegenheid, zoals bijenhotels, houtblokken, rietbundels, bamboestokjes, schroefgaten in stenen en kunststofbuizen in nestkastjes. |
 |
| Overzicht soorten |
|
|
| |
| |
|
| |
| Terug naar beschrijving metselbijen |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
| Tronkenbij - Heriades |
Bijen met 2 submarginale cellen: 2e teruglopende ader (t2) mondt uit voor 2e Sm.ader; vrouwtjes met buikschuier |
|
 |
 |
 |
Habitus: vrij kleine (5-8 mm) smalle, min of meer cilindrisch vormige, dun behaarde zwarte wilde bijen; voorvleugels met twee ongeveer even grote submarginale cellen; de tweede teruglopende vleugelader mondt uit in de tweede submarginale cel, net voor het einde van de cel; voorzijde van het eerste achterlijfsegment met een verdikte rand. Lijkt zeer veel op klokjesbij. Het vrouwtje heeft een geelachtige buikschuier aan de onderkant van het achterlijf; voorrand kopschild met twee knobbeltjes . Het mannetje heeft een sterk gekromd achterlijf; het laatste achterlijf segment zijdelings ingedrukt. |
 |
| |
| Meer informatie over tronkenbij |
|
|
| |
| |
| |
|
| Klokjesbijen - Chelostoma |
Bijen met 2 submarginale cellen: 2e teruglopende ader (t2) mondt uit voor 2e Sm.ader; vrouwtjes met buikschuier |
|
 |
 |
 |
| Habitus: vrij kleine (4-6 mm) tot middelgrote (6-10mm) smalle, min of meer cilindrisch vormige, dun behaarde zwarte bijen; voorvleugels met twee ongeveer even grote submarginale cellen; de tweede teruglopende vleugelader mondt uit in de tweede submarginale cel (detail foto's volgen in de loop van 2011; de kaken zijn relatief groot. De wijfjes verzamelen stuifmeel met de (bleekgele) buikschuier aan de onderkant van het achterlijf. Mannetjes hebben een bultvormige richel aan de onderzijde van het achterlijf. Herkenning van vrouwtjes in het veld: de vrouwtjes zijn door een combinatie van kenmerken met een redelijke kans van zekerheid te herkennen: de grote, bloembezoek (zie hieronder) een de kleur van het stuifmeel (bij boterbloemen geel, bij campanula wit); herkenning van mannetjes is lastiger, maar in combinatie met vrouwtjes en planten, is een goede indicatie mogelijk. In Nederland komen 4 soorten klokjesbijen voor. Alleen grote en waarschijnlijk kleine klokjesbij is vrij algemeen in de oostelijke helft van het land. Meer informatie over enkele soorten: |
 |
| |
| Meer informatie over klokjesbijen |
|
|
| |
| |
| |
| |
| |
|
| Kegelbijen - Coelioxys |
Bijen met 2 submarginale cellen: 2e teruglopende ader (t2) mondt uit voor 2e Sm.ader |
|
 |
 |
 |
Zwartachtige bijen met contrastrijke witte bandjes of witviltige haarvlekken. De overige beharing is zeer spaarzaam. Lengte 8-15 mm. Voorvleugels met 2 submarginale cellen. Het schildje (einde borststuk) aan beide kanten met een tand; ogen behaard.
Vrouwtje: kegelbijen worden vooral gekarakteriseerd door afwijkende lichaamsbouw van de vrouwtjes; hun achterlijf is kegelvormig en sterk toegespitst.
Mannetje: achterlijf afgerond en aan het eind met 6-9 doorntjes. In Nederland komen 8 soorten kegelbijen voor. De helft daarvan is zeldzaam tot zeer zeldzaam of zelfs uit ons land verdwenen.
Meer informatie over enkele soorten: Beschrijving van enkele soorten is in voorbereiding
|
 |
| Meer informatie over kegelbijen |
| |
| |
| |
| -- |
Herkenning soorten: in het veld en/of op en foto's zijn de soorten van kegelbijen niet of nauwelijks te onderscheiden. De mannetjes zijn zelfs moeilijk te determineren zonder gebruik te maken van de genitaliën. De beschrijvingen van de afzonderlijke soorten volgen later. Er is voorlopig wel enige informatie verzameld die een breder beeld geven van de kegelbijen.
Vooral de Engelse visuele determineertabel kan een bijdrage leveren om kegelbijen op naam te brengen: http://www.amentsoc.org/insects/fact-files/orders/coelioxys-key-low-res.pdf |
| |
| http://www.soortenbank.nl/soorten.php?soortengroep=insecten&id=881 -- Coelioxys conoidea (grote kegelbij) |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-cauro.htm -- Coelioxys aurolimbata (gouden kegelbij) |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-cauro.htm -- Coelioxys elongata (slanke kegelbij) |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-ciner.htm -- Coelioxys inermis (gewone kegelbij) |
| http://www2.pms-lj.si/andrej/coequa.htm -- Coelioxys mandibularis (duinkegelbij) |
| |
| Terug naar beschrijving kegelbijen |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
| Wolbijen - Anthidium |
Bijen met 2 submarginale cellen, 2e discoidale dwarsader mondt uit achter of in 2e Sm.ader: vrouwtjes met buikschuier |
|
 |
 |
 |
| Grote tot zeer grote bijen (10-18 mm); de mannetjes zijn opvallend groter dan de vrouwtjes; met gele wespachtige tekening; gele dwarsvlekken op het achterlijf; het middengedeelte van het achterlijf is zwart. Voorvleugels met 2 ongeveer even grote submarginale cellen; de tweede teruglopende ader mondt uit net voorbij (of ongeveer) het einde van de tweede submarginale cel. De bijen zijn onopvallend behaard, maar vooral van opzij duidelijk zichtbaar. Bij het vrouwtje zijn de zijvlekken op het achterlijf niet onderbroken, de buikschuier is goudgeel. Bij het mannetje zijn een aantal zijvlekken meestal onderbroken en met gebogen tanden op het eind van het achterlijf: het 6e en 7e tergiet. Het laatste tergiet is gewoonlijk sterk naar binnen getrokken en dan zijn alleen de tanden zicht baar. De lengte van de tanden verschilt per soort. In Nederland zijn 5 soorten wolbijen waargenomen. Alleen de grote wolbij is vrij algemeen in het grootste deel van het land. Meer informatie over enkele soorten: |
 |
| Meer informatie en overzicht soorten |
| |
| |
| |
| -- |
| Meer informtie en overzicht soorten |
|
| |
| Voor zeer zeldzame tot verdwenen soorten |
| Grote harsbij - Anthidium byssinum: http://www.soortenbank.nl/soorten.php?soortengroep=insecten&id=871 |
Anthidium oblongatum: http://www.nederlandsesoorten.nl/nsr/concept/0AHCYFAYRBGF
|
| --------- Voor foto's Tweelobbige wolbij zie: http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-aoblo.htm |
| |
| Meer foto's en informatie |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-anthi.htm |
| Terug naar beschrijving wolbijen |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
|
| Tubebijen - Stelis |
Bijen met 2 submarginale cellen, 2e discoidale dwarsader mondt uit achter of in 2e Sm.ader |
|
 |
 |
 |
| Meestal zwarte tot donkere, kale tot weinig behaarde bijen met witte tot gele patronen op het achterlijf of doorzichtige eindranden. Lengte 3-11 mm. Voorvleugels met 2 submarginale cellen. De 2e teruglopende ader mondt uit voorbij of in de 2e cubitale dwarsader. Bij de 2 meest voorkomende soorten in Nederland is het achterlijf dicht gepuncteerd en zijn de achteranden van de tergieten doorschijnend of met een smalle band korte haren bezet. Bij de mannetjes is het achterlijf naar beneden gekromd. In Nederland zijn 7 soorten waargenomen. Voorlopig worden alleen de 2 meest voorkomende soorten beschreven. De overige soorten zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam of mogelijk verdwenen. |
| http://www.tierundnatur.de/wildbienen/eb-steli.htm |
| In voorbereiding: |
|
 |
|
| |
|
|
| |
| |
| |
|
| |
| |
| |
|
| Kenmerken bijen algemeen |
| Hoofdsleutel: klik op een link van toepassing. |
| Bijen kleiner dan 8 mm; zwart of donker gekleurd---- |
| Voor grotere bijen klik op een link hieronder |
| Middenveld grof gerimpeld---- |
| Middenveld fijn of ongerimpeld ga verder hieronder |
| |
Achterranden van de tergieten met haarbanden-
Tergieten zijn de rugsegmenten van het achterlijf.
De haarbanden kunnen doorlopend of in het midden onderbroken zijn. Soms zijn het alleen maar kleine dichte langwerpige pukjes haar. zie voorbeelden |
|
| |
Achterranden tergieten zonder haarbanden
Soms staan de haren wel dicht op elkaar maar vormen geen echte gesloten haarbanden |
| Bijen zeer dicht roodbruin behaard |
Met gedeeltelijk rood gekleurd achterlijf |
Grote, zwarte bijen met witte of grijze beharing |
|
| |
| |
| |
| |
| ---- Terug naar hoofdsleutel |
| Bijen kleiner dan 8 mm; zwart of donker, maar niet met roodachtig kleuren; 1e segment achterlijf tamelijk dof/matglanzend (niet sterk glanzend) en fijn gerimpeld; 2e en 3e rugsegment met witte haarbanden opzij. |
| - |
Achterrand 3e tergiet achterlijf sterk neergedrukt, meestal ook bij het 2e tergiet en de neergedrukte gedeelte relatief breed en sterk glanzend (Zie foto achterlijf tussen de punten); 2e tergiet gewoonlijk duidelijk gepunteerd. |
Halfgladde dwergzandbij |
| - |
Achterrand 3e segment achterlijf niet sterk neergedrukt; 2e segment achterlijf niet of nauwelijks gepuncteerd. Onderstaande drie soorten kunnen het beste worden herkend of gedetermineerd door ze onderling te vergelijken |
|
|
| - |
Mesonotum mat/dof, dicht en fijn gerimpeld, fijn gepuncteerd; scutellum, fijn gepuncteerd en gerimpeld; fimbria bruinachtig. |
Witkopdwergzandbij |
| - |
Mesonotum mat/dof, punctering regelmatig en dicht. |
Gewone dwergzandbij |
| - |
Mesonotum matig glanzend
punctering duidelijk en iets onregelmatig; witte haarbanden opzij van het 2e en 3e segment zwak ontwikkeld; zijn alleen van de zijkant goed te zien. |
Glimmende dwergzandbij |
|
|
| |
| |
| |
| -- |
Terug naar hoofdsleutel |
| Bijen groter dan 9 mm en een grof gerimpeld middenveld |
Vergelijk foto's |
| Fimbria goudgeel; bovenkant borststuk dicht, kort roestbruin behaard, achterlijf zwart glanzend. |
Roodgatje |
| Fimbria zwart, bijen zwart. |
Koolzwarte zandbij |
| Fimbria bruinachtig; achterste scheensporen donker; bijen bruinachtige behaard. |
Grijze rimpelrug |
| Fimbria donker; achterste scheensporen geel, scopa roodgeelachtig: met uitzondering bovenkant borststuk voornamelijk witachtig behaarde bijen. |
Donkere rimpelrug |
|
 |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| -- |
Terug naar hoofdsleutel |
| Geen van de haarbanden onderbroken |
|
| |
Scopa geelbruin tot zwartbruin |
Vergelijk foto's |
| - |
Haarbanden breed tot 2/3 lengte tergiet, oranjegeelachtig tot geelwit verschietend; gezicht zwartbehaard. |
Donkere zomerzandbij |
| - |
Haarbanden smal en grijsachtig; kop geelgrijsachtig tot vuilwit behaard. |
Kruiskruidzandbij |
| - |
Haarbanden relatief breed en geelgrijsachtig; gezicht geelgrijsachtig behaard |
Heide zandbij |
| |
|
|
| |
Scopa geel of geel rood |
|
| - |
Haarbanden bruingeel (verblekend); overige beharing bruinachtig. |
Grasbij |
| - |
Haarbanden wit; bovenkant borststuk lichtbruin behaard, overige beharing grotendeels wit/witachtig. |
Weidebij |
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
|
| 1 of meer haarbanden onderbroken |
Vergelijk foto's |
| - |
Zwarte bijen met geelbruinachtig behaarde kop en borststuk; haarbanden 2e en 3e tergiet breed onderbroken, haarband 4e tergiet in het midden versmald of smal onderbroken |
Wimperflankzandbij |
| - |
Borststuk grijsbruinachtig behaard; haarbanden 3e tergiet smal en het 4e tergiet niet onderbroken |
Geelstaartklaverzandbij |
| - |
Achterlijf gedeeltelijk rood gekleurd; einde 3e rugsegment met een onderbroken en het 4e segment met een gesloten haarband, |
Knautiabij |
| - |
Achterlijf gedeeltelijk rood gekleurd; sternieten (buiksegmenten) met duidelijk witte haarbanden. |
Roodbuikje |
| - |
Alle haarbanden onderbroken, scopa witachtig; fimbria bruingrijs. |
Fluitenkruidbij |
| - |
Borststuk bruinachtig behaard; achterlijf dun behaard, zwart glanzend, 2e en 3e segment met onderbroken haarbanden |
Witbaardzandbij |
| - |
Lijkt veel op witbaardzandbij, verschilt hiervan door gepuncteerde (1-3) tergieten. (foto ontbreekt) |
Zilveren zandbij |
| - |
tergieten 2-4 met smalle geelachtige tot wit verschoten haarbanden; die van het 2e en 3e tergiet zijn breed onderbroken; kop en borststuk bruinachtig behaard; achterlijf afstaand bruinachtig behaard. |
Donkere klaverzandbij |
| |
|
|
|
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| -- |
Terug naar hoofdsleutel |
| Achterranden tergieten zonder haarbanden |
|
| Bijen zeer dicht behaard |
Vergelijk foto's |
| - |
Borststuk en achterlijf, dicht, lang, hommelachtig roodbruinachtig behaard |
Vosje |
| Achterlijf gedeeltelijk rood gekleurd |
|
| - |
Achterlijf gedeeltelijk rood en zeer spaarzaam behaard; fimbria bruinzwart |
Heggenrankbij |
| - |
Achterlijf gedeeltelijk rood en zeer spaarzaam behaard; fimbria goudgeel |
Knautiabij |
| Grote, zwarte bijen met witte of grijze beharing |
|
| - |
Opvallende zwarte bijen met contrasterende witte beharing; bovenkant borststuk (mesonotum) met dichte brede band van zwarte haren; achterlijf met metaalblauw glans. |
Asbij |
| - |
Opvallende zwarte bijen met contrasterende grijsachtige beharing. |
Grijze zandbij |
|
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| --- |
Terug naar hoofdsleutel |
| Uiteinden van de tergieten zonder haarbanden: scopa geel, goudgeel of geelbruin |
|
| Fimbria en scopa (goud)geel en achterlijf niet gedeeltelijk rood |
Vergelijk foto's |
| - |
Kop en borststuk geelgrijsachtig behaard; achterlijf mat glanzend, fijn gerimpeld, nauwelijks gepunteerd |
Texelse zandbij |
| - |
Kop en borststuk bruinachtig behaard; achterlijf glanzend; tergieten 2-4 dicht gepuncteerd |
Paardenbloembij |
| |
| Fimbria bruin- tot zwart- en soms grijsachtig |
| - |
scopa geel, goudgeel of geelbruin: bovenkant borststuk bruinachtig tot roestbruin behaard |
|
| |
Voorkant kop zwart behaard; Onderkant borststuk bruin behaard; achterlijf zwartbehaard; achterschenen doorschijnend geel. |
Zwart-rosse zandbij |
| - |
Voorkant kop zwart behaard; onderkant borststuk bruinachtig behaard; de eerste 2 of 3 tergieten bruin behaard; achterlijf sterk glanzend en vaak met groenachtige erts glans. Lente 13-15 mm |
Zwartbronzen zandbij |
| - |
Kop zwart behaard; onderkant borststuk zwart behaard bij 1e generatie; bij de 2e gen. lichter behaard; de eerste 2 of 3 tergieten bruin behaard; achterschenen bruinachtig tot zwart; Achterlijf mat glanzend; 9-10 mm. |
Tweekleurige zandbij |
| - |
Kop en borststuk grotendeels geelbruin/grauwgeel behaard; tergieten aan de basis gerimpeld; achterlijf dun maar duidelijk behaard. |
Geriemde zandbij |
| - |
Kop en borststuk bruinachtig behaard. Zwarte bijen met een glanzend en vrijwel kaal achterlijf. |
Sporkehoutzandbij |
| |
|
|
| |
|
|
|
| |
| |
| |
| |
| -- |
Naar hoofdsleutel |
| Uiteinde van de tergieten zonder haarbanden |
|
| |
Scopa wit-, bruinachtig tot zwart; borststuk bruinachtig behaard |
vergelijk foto's |
| - |
Levendig gekleurde grote bijen 12-14 mm; voorkant kop en onder kant borststuk witbehaard; de voorste tergieten dicht gepuncteerd. |
Viltvlekzandbij |
| - |
Geelbruinachtige grote bijen 12-14 mm; borststuk donkerder behaard; tergieten fijn gerimpeld; floccus onvolkomen. |
Meidoornzandbij |
| - |
Een zeer breed gedeelte (achterranden) van de tergieten 2-4 neergedrukt; tergiet 1 en 2 geelbruin afstaand behaard. |
Breedrandzandbij |
| - |
Vrij donker gekleurde bijen; gezicht zwart tot zeer donker behaard; poten zwart, beharing poten zwartgrijs. |
Bosbesbij |
| - |
Levendig gekleurde bijen; gezicht zwart tot wit behaard; scopa gedeeltelijk donker. |
Variabele zandbij |
| - |
Levendig gekleurde bijen; gezicht wit behaard; scopa wit(achtig) |
Valse rozenzandbij |
| - |
Bruingeelachtige behaarde bijen; boven kant borststuk aanvankelijk bruin behaard; de eerste 2 tergieten lang aanliggend behaard. |
Lichte wilgenzandbij |
| - |
Bruinachtig behaarde bijen; gezicht bruingeel behaard; achterlijf lang, dicht afstaand behaard. |
Vroege zandbij |
| - |
Bijen met een zwarte habitus; gezicht, zijkanten en onderkant borststuk en tergieten wit behaard; achterranden tergieten geelachtig doorschijnend. |
Gewone rozenzandbij |
| |
|
|
| |
|
|
|
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |