| Sluit deze pag. met kruisje rechts boven! |
|
Betekenis landschapselementen voor bijen -- Waar komen bijen voor? |
| Op vrijwel alle plekken waar bloemen en nestgelegenheid aanwezig is, komen bijen voor. De nesten en voedselplanten van solitaire bijen liggen vaak dicht bij elkaar. Doorgaans variërend van enkele tot tientallen meters. Van hommels kan dat meer dan 100 meter bedragen. |
| Honingbijen die in het grootste deel van Europa vrijwel uitsluitend door imkers worden gehouden hebben gewoonlijke een reikwijdte van 3000 meter in het voorjaar en in de zomer. Soms vliegen ze vijf kilometer of meer. Met sterke tegenwind komt dat de rendabiliteit van de vluchten niet ten goede. Bij kouder weer vooral aan het begin en het einde van het vliegseizoen blijven de honingbijen zo dicht mogelijk bij de kasten of korven. Het is dan van groot belang dat er binnen een straal van 100 meter bloeiende planten voorkomen. |
| Als aan de voorwaarde van stuifmeel, nectar en nestgelegenheid is voldaan kunnen op alle plekken in Nederland bijen voorkomen. |
| Overzicht van voorbeelden van situaties waar wilde bijen en honing bijen voorkomen. |
| De ervaring heeft geleerd dat vrijwel alle situaties waar wilde bijen voorkomen ook geschikt zijn voor honingbijen, en meestal ook voor vlinders. Maar plekken die zeer geschikt zijn voor honingbijen zijn vaak niet geschikt voor wilde bijen. |
| |
Kruidachige vegetaties |
| |
Houtige begroeiinen en tuinen |
| |
Alle structuur elementen van houtige begroeiingen |
| |
Zoomvegetaties |
| |
Hoeveel bijensoorten kunnen er voorkomen ? |
| |
|
| |
|
| Open terreinen en landschapselementen |
Plaatsen die vaak begroeid zijn een en tweejarige planten (pioniervegetaties) zoals: akkerranden, braakliggende terreinen, spoorweg- en haventerreinen, gronddepots, zand- mergelgroeven, klei- en kleigaten, zandpaden, randen van fijne grindpaden en droge, onbegroeide greppelkantjes, open plekken rond grafstenen en –zerken. |
| Muren |
Zowel oude als nieuwe muren, vooral ook gestapelde muren in tuinen en parken. |
| Grazige begroeiingen |
Bermen, dijken, hooilanden, randen van weilanden, graslanden in parken en parkachtige situaties, op begraafplaatsen, in tuinen ook in gazons met bijvoorbeeld madeliefjes en paardenbloemen, jaarlijks gemaaide oevers. |
| Bloemrijke ruigten |
Braakliggende terreinen, spoorweg- en haventerreinen, gronddepots, zand- mergelgroeven, klei- en kleigaten langs beplantingen, spoorbermen. Natte ruigte vaak langs natte elementen zie bij oevers. |
| Oevers van allerlei wateren |
Langs, rivieren, beken, kanalen, vijvers, sloten, poelen, ook in tuin vijvers en tuinmoerassen. |
| Open stilstaan tot zwakstromend water |
Vrijwel alle open wateren, Aan de rand vaak met oeverplanten. |
|
| |
| Houtige begroeiingen en tuinen. |
|
|
| Struwelen en struweelachtige beplantingen |
Braakliggende terreinen, spoorweg- en haventerreien, gronddepots, zand- mergelgroeven, klei- en kleigaten; recreatieparken brede wegbermen, geluidswallen. |
| Overige houtige begroeiingen |
Dit zijn onder meer: houtwallen, singels, bosje, hagen. |
Aangelegd (sier)groen |
Tuinen, parken, begraafplaatsen, kantoortuinen, daktuinen, borders met vasteplanten een eenjarige in openbare ruimte. |
| Kleinschalig groen |
Tegeltuinen, geveltuinen, woonerven etc. |
| Platteland |
Akkerranden, slootkanten, bermen, landschappelijke beplantingen, boeren erven, recreatiewoningen, nieuwe landgoederen, stinzen, tuinen, begraafplaatsen, openbaar groen in buurtschappen en plattelandsdorpen. |
|
| |
| Houtige begroeiing in detail |
|
|
| Kruidlaag |
Onderbegroeiing. Alleen in het voorjaar als er voldoende licht op de bodem valt voor bloeiende planten. In hoofdzaak: sachembij (Anthophora plumipes), zandbijen (Andrena fulva, A. nitida, A. tibialis, A. haemorrhoa en andere vroege zandbijen); vroege soorten van het geslacht Nomada (wespbijen); gewone rouwbij (Melecta albifrons), roze metselbij (Osmia rufa). Verder alle hommels en honingbijen. De bodem tussen de begroeiing en tussen de kruidachtige soorten biedt nestgelegenheid voor de bodembewonende bijen. |
| Lianen |
In de onderzochte begroeiing gevormd door Heggenrank. Alleen in de zomer. Heggenrankbij (monolectisch!), andere zandbijen, groefbijen en maskerbijen. |
| Zomen en randen |
De kruidachtige randen van houtige begroeiingen: in principe alle bijen. Het hele vliegseizoen. Voor bijen zijn zomen de belangrijkste kruidachtige elementen van beplantingen zie foto's |
| Inhammen en open plekken |
Alleen op zonnige plaatsen. In principe alle bijen. Het hele vliegseizoen. |
Struik- en mantel-
begroeiing |
Vooral op boswilg, kruipende, geoorde en grauwe wilg: in hoofdzaak Grote zjidebij (Colletes cunicularius), hommels en honingbijen. Op en bij Spaanse aak, sleedoorn en ribes: in hoofdzaak zandbijen; braam zandbijen, groefbijen, maskerbijen en metselbijen. Afgestorven en holle ranken van braam bieden nestgelegenheid aan onder meer maskerbijen. Andere struiken worden minder druk bezocht; wel veel door hommels. Meidoorn, Wegedoorn en Sporkehout zijn eveneens voor wilde bijen van belang. |
| Bomen |
Wilgen: in hoofdzaak zandbijen, hommels en honingbijen; Esdoorn: idem. Overige bomen in het algemeen weinig of minder wilde bijen. Nectar producerende bomen zijn wel voor hommels en honingbijen van belang (Koster 1999). In hoofdzaak in het voorjaar. |
|
| |
|
| Hoeveel bijensoorten kunnen er voorkomen |
| Aan de hand van bijenonderzoek, literatuuropgaven en eigen collectie kon worden vastgesteld dat er minstens 195 bijensoorten in het stedelijk gebied in Nederland zijn waargenomen. Dit is ca. 60% van de Nederlandse soorten. Tientallen soorten hiervan zijn zeldzaam. Al deze soorten zijn waargenomen in openbaar groen, spoorwegemplacementen, stedelijke overhoeken en in tuinen. |
| In een tuin van ca 200 m in Veenendaal werden tussen 1972 en 1992 32 soorten bijen waargenomen. Mede door kunstmatige nest gelegenheid (rietmatten) waren de bijen ieder jaar talrijk in deze tuin aanwezig. (Koster 2000) |
| In Maastricht werden in ruige strook langs een beplanting langs de Via Regia rond 1998 20 soorten bijen waargenomen. In totaal waren bijen talrijk aanwezig. (Koster 1999) |
| In Ede werden in een brede droge, zandige, grazige berm rond 1998 31 soorten bijen waargenomen. Bijen kwamen daar zeer talrijk voor. (Koster 2000) |
| In de gemeente Sneek waar rond 1980 buiten het spoorwegemplacement nauwelijks bijen waren aan te treffen heeft ecologische groenbeheer er toe geleid dat rond het jaar 2000 in vrijwel alle groene terreinen wilde bijen voorkwamen. Op de meeste plekken talrijk. In toetaal werden er meer dan 40 soorten waargenomen. (Koster 2000) |
| Als er het hele groeiseizoen verschillende soorten bloeiende planten talrijk voorkomen en er is variatie in de nestgelegenheid is de kans aan een grote verscheidenheid aan bijen groot. Zulke plekken kunnen ook door honingbijen en vlinders worden bezocht. |
|
| |
| |