Sluit deze pag. met kruisje rechts boven! Terug of naar: www.zoekkaartwildebijen.nl

Bijen in hoofdlijnen: bouw, levenswijze, betekenis

Bijen in hoofdlijnen Wat zijn bijen ? -- Bouw, levenswijze, betekenis
Steken van bijen Wanneer steken bijen?
Monddelen van bijen Betekenis van de monddelen van bijen
Bloembezoek Wat is de betekenis van bloemen voor bijen?
Nestplaatsen Waar nestelen bijen?
Koekoeksbijen Wat zijn koekoeksbijen?
Vliegtijden en vliegperiode Wanneer vliegen bijen? Vliegtijden en vliegperiode
Honingbijen Hoe leven honingbijen?
Betekenis honingbijen Wat is de maatschappelijke betekenis van honingbijen?
Hobbyimkers Wat doen hobbyimkers?
Concurrentie Zijn honingbijen concurrenten van wilde bijen?
   
 
 
 
Wat zijn bijen ? -- Bouw, levenswijze, betekenis - Terug naar top pagina
Bijen zijn insecten. Insecten worden gekenmerkt door het bezit van een kop, een borststuk en een achterlijf. Aan de kop zitten de waarnemingsorganen: ogen en voelsprieten (tevens reukorganen) en monddelen om voedsel op te nemen. Aan het borststuk bevinden zich drie paar poten en meestal twee paar vleugels, in het achterlijf liggen de ademhalingsorganen en het spijsverteringskanaal. Bijen hebben twee paar vliezige, doorzichtige vleugels, waarvan de achterste een stuk kleiner zijn dan de voorste.
Een ander karakteristiek kenmerk is populair gezegd: een sterke taille (insnoering) tussen het achterlijf en het borststuk. Het achterste deel van het borststuk behoort officieel tot het achterlijf. Aan hun poten of aan de onderkant van het achterlijf hebben de meeste bijen, althans de wijfjes, haren waarmee ze stuifmeel van planten kunnen verzamelen. Bij honingbijen en hommels zijn deze stug en kamachtig en worden daarom korfjes genoemd Door dit kenmerk onderscheiden ze zich het meest van de wespen die eveneens een (wespen)taille hebben.
Het meest bekende lichaamsdeel van bijen is de angel. Daarmee kunnen vijanden worden geweerd. Bijen lijken voor zover het de lichaamsbouw betreft sterk op wespen. Bijen zijn meer behaard dan wespen. Plooiwespen (de wespen waar we vooral in de nazomer last van kunnen ondervinden) hebben opgevouwen vleugels en meestal een geel getekend lijf. Die gele kleur wekt vaak verwarring.Er zijn veel andere insecten (inclusief bijen) die net zo gekleurd zijn en door veel mensen voor wesp worden aangezien. In ieder populair insectenboek is over dit verschijnsel (mimicrie)  meer  te vinden.
De honingbij wordt door het gros van de mensen vaak verward met de blinde bij. Dit is een vrij grote donkere zweefvlieg, die veel op bloemen zit en ongeveer dezelfde kleur heeft als een honingbij. Zweefvliegen hebben echter twee vleugels, die bij de blinde bij altijd V-vormig uitstaan, vrij grote ogen die elkaar raken en uiteraard geen smalle taille.
Voor een uitvoerig overzicht van de biologie van bijen wordt verwezen naar het tweedelige en zeer goed leesbare standaardwerk van Westrich (1989). Dit bevat ook een vrijwel volledig overzicht van de milieus waar wilde bijen kunnen voorkomen. Een aanzienlijk beknopter, maar zeer bruikbaar overzicht wordt gegeven door Bellman (1998). In Nederland zijn ongeveer 330 soorten wilde bijen bekend. Vele tientallen soorten zijn zeldzaam, ooit eens één of enkele keren in Nederland waargenomen of komen alleen lokaal of regionaal talrijk voor (Peeters et al., 1999)
Wanneer steken bijen? Terug naar top pagina
Over het steken van bijen moeten we ook een misverstand wegnemen. Bijen steken niet uit zichzelf. Een bij die steekt, pleegt zelfmoord. Wat dat betreft zijn bijen net als mensen. In principe goedaardig, maar door omstandigheden waar ze zelf vaak niets aan kunnen doen, zien we soms het tegenovergestelde gedrag. Als bijen in de knel komen, bijvoorbeeld tussen de kleren, kunnen ze steken. Als we dat door hebben en niet in paniek raken, steken de bijen meestal niet. Het voorgaande beschrijft het steekgedrag van  honingbijen en hommels. Deze bijen zijn bovendien sociale insecten met een uitermate hoog ontwikkelde samenlevingsvorm. Verstoring en beschadiging van nesten zullen ze niet tolereren en collectief afstraffen. Als men niet met honingbijen vertrouwd is, moet men zich zonder de beherende imker niet te dicht in de buurt van bijenkasten wagen. De steeklustigheid van honingbijen heeft vooral te maken met de kwaliteiten van de imker. Een goede imker heeft gewoonlijk rustige bijen, die zelden of nooit steken.
Monddelen van bijen Terug naar top pagina
De bouw van de monddelen van bijen zijn van doorslaggevende betekenis voor het bloembezoek. Met hun tong zuigen de bijen nectar op. Afhankelijk van het type bij (genus, geslacht) kan de tong lang of kort zijn. Bij maskerbijen en zijdebijen is de tong zo kort, dat ze geen nectar en vaak geen stuifmeel kunnen halen uit diepe buisvormige bloemen.
Bijen met een korte tong vinden we meestal op bloemen waar stuifmeel en nectar gemakkelijk bereikbaar zijn. Bijvoorbeeld op schermbloemen en bloemen met een relatief wijde en open bloemkroon. Bijen met een lange tong zoals hommels kunnen nectar en stuifmeel in bloemen met een smalle bloemkroon bereiken. Honingbijen en veel andere bijensoorten hebben  en middelmatige  tonglengte. ,  Ze komen niet zo diep als hommels of de zeer langtongige sachembij (een grote hommelachtige bij) maar vliegen wel op het overgrote deel van de bijenplanten.
Het aardige van dit gegeven is dat plantensoorten die door honingbijen worden bevlogen ook door hommels en het overgrote deel van de andere wilde bijen bevlogen kunnen worden. Wat dat betreft vervullen honingbijen een signaalfunctie. Waar honingbijen op plekken met een verscheidenheid aan bijenplanten aanwezig zijn, zouden in principe ook hommels en andere wilde bijen moeten voorkomen. Als deze afwezig zijn, kan er iets mis zijn met de kwaliteit van het milieu. Een oorzaak kan het ontbreken van nestgelegenheid zijn. Er kan sprake zijn van te veel beheer of onderhoud of gebruik van herbiciden en andere pesticiden. In veel tuinen en veel plekken daarbuiten is dat het geval.
Wat is de betekenis van bloemen voor bijen Terug naar top pagina
Bijen leven uitsluitend van plantaardige voedingsstoffen. Voor hun energiebehoefte gebruiken ze nectar en voor het broed verzamelen ze stuifmeel, met uitzondering van de parasitaire bijen. Enkele soorten verzamelen ook plantaardige olie. Vooral voor stuifmeel zijn ze volledig afhankelijk van bloeiende planten. Conclusie:  zonder bloemen geen bijen.
De meeste soorten bijen vliegen op veel verschillende soorten planten. In tuinen en in het stedelijk gebied zijn dit meestal de meer algemene bijensoorten. Ze zijn niet afhankelijk van één plantensoort en kunnen daardoor op veel plaatsen voorkomen. Sommige soorten bijen vliegen alleen op één bepaalde plantenfamilie, of zelfs een bepaald plantengeslacht. Ook deze bijen hebben wel een zekere speling in hun foerageergedrag door bij het wegvallen van één van de soorten op een andere plantensoort te kunnen foerageren. De specialisten zijn het kwetsbaarst. Ze zijn van één of enkele zeer nauw verwante plantensoorten afhankelijk. Verdwijnt de plant dan verdwijnt ook de bij.
Kwetsbaar zijn waarschijnlijk ook de soorten die in twee generaties vliegen. De eerste generatie vliegt in het voorjaar, de tweede in de zomer. In beide seizoenen moeten bloeiende planten aanwezig zijn. In ons intensief gebruikte en beheerde landschap is dat vaak niet het geval.
Op ruige bloemrijke begroeiingen zijn vrijwel altijd wilde bijen aanwezig. De diversiteit, dus het aantal bijensoorten, hangt af van de aanwezige plantensoorten, geschikte nestgelegenheid en het landschaptype. In een milieu of landschap dat erg eenvormig is, zullen geen of weinig bijensoorten voorkomen. In een tuin met allerlei soorten planten en allerlei nestgelegenheid kunnen op een klein oppervlakte wel tientallen soorten wilde bijen aanwezig zijn.
Waar nestelen bijen Terug naar top pagina
De nestgelegenheden zijn zeer gevarieerd. Veel soorten bijen nestelen in open, onbegroeide zandige tot lemige, vlakke of iets hellende bodem, maar er zijn ook bijen die in steile kantjes nestelen. De nestholtes graven ze dan zelf. Open grond is echter een betrekkelijk begrip. Wat erg belangrijk  is, is de omstandigheid dat er minimaal open plekken in de begroeiing aanwezig zijn. De nesten van de bijen bevinden zich vaak onder of tussen de begroeiing. Op schrale grond kan dat tussen het gras zijn, op rijke bodem ook tussen hondsdraf en voor sommige soorten in ruigte, bijvoorbeeld onder groot hoefblad en zelfs tussen de grote brandnetel. De bodem mag niet massief doorworteld zijn. Tussen oude brandnetelbegroeiing met een harde en massieve wortellaag is de bodem voor bijen ondoordringbaar.
De voegen tussen plaveisel zijn voor bijen eveneens aan te merken als open grond. Op plekken waar voldoende stuifmeel- en nectarplanten aanwezig zijn, is de kans groot dat ze er nestelen. In stedelijke begroeiingen vliegen bijen, die zwaar met stuifmeel zijn beladen, frequent de begroeiingen in; vrijwel zeker hebben ze op deze zwaar beschaduwde plekken hun nesten.
Veel kleine bijen leven in holle, afgestorven stengels van kruidachtige planten ( bijv. riet), in afgestorven holle ranken van braam,ook in holle takken van struiken en verder in allerlei gaatjes in muren en hout. Er zijn bijen die in gallen en slakkenhuizen leven. Zonnige en bloemrijke tuinen en parkachtige plekken, waarin veel puinbrokken en dood hout is verwerkt of waarin oude en vervallen stenen muren aanwezig zijn, bevatten doorgaans veel nestgelegenheid voor wilde bijen. Ook niet-geïmpregneerde afrasteringspalen kunnen na verloop van een aantal jaren nestgelegenheid bieden aan deze angeldragende insecten.
Wat zijn koekoeksbijen Terug naar top pagina
Een groot aantal wilde bijen is in hoge mate gespecialiseerd. Ze bouwen geen nest en kennen geen broedzorg, maar leggen hun eitjes bij andere bijen in het nest. Eitje en larve van parasitaire bijen ontwikkelen zich vaak sneller dan die van de gastvrouw. Dit gedrag is te vergelijken met de koekoek, die haar eieren in het nest van zangvogels legt en de jonge door de “waardvogel” laat grootbrengen. Parasitaire bijen worden daarom ook wel koekoeksbijen genoemd. Er bestaan ook parasitaire bijen die de eitjes die door de gastvrouw zijn gelegd opeten. Het broed van de gastvrouw kan zich dan niet of slecht ontwikkelen.
 

De parasitaire (koekoeks)bijen zijn niet voor hun directe levensbehoefte van stuifmeel afhankelijk, maar completeren in belangrijke mate de levensgemeenschap. Schematisch voorgesteld komen er eerst bloeiende planten tot ontwikkeling, in veel gevallen wordt dat gevolgd door de vestiging van bijen en daarna volgen de koekoeksbijen. De koekoeksbijen kunnen pas tot ontwikkeling komen als de bijen waarvan ze afhankelijk zijn, in voldoende mate voorkomen. Men gaat ervan uit dat er eerst een aantal nesten aanwezig moet zijn voordat er koekoeksbijen kunnen leven. Dit lijkt aannemelijk maar het sluit niet uit dat beide geslachten tegelijkertijd aanwezig zijn . In Veenendaal werden op verschillende plekken pas wespbijen gezien nadat er een aantal jaren zandbijen werden waargenomen (Koster 2001c). De aanwezigheid van deze bijen is dus te zien als een gevorderde ontwikkeling van de levensgemeenschap, vooral als ze talrijk voorkomen. Aan de hand van een momentopname is dat echter niet altijd vast te stellen. Gastvrouw en koekoeksbij variëren ten opzichte van elkaar. Als de koekoeksbij talrijk voorkomt, kan de gastvrouw zo sterk verminderen dat in het daaropvolgende jaar de koekoeksbij sterk afneemt of zelfs verdwijnt. Als de gastvrouw dan weer in aantal toeneemt, kan de koekoeksbij ook weer toenemen.

Wanneer vliegen bijen? --Vliegtijden en vliegperiode Terug naar top pagina
Wilde bijen vliegen, net als vlinders, alleen als het mooi weer is. Het moet zonnig zijn en er mag niet te veel wind staan.Als de zon ontbreekt, moet het zwoel weer zijn. Op zonnige en luwe plekken zijn ze het meest aan te treffen. In het vroege voorjaar vliegen ze vaak alleen op het middelste gedeelte van de dag, bijvoorbeeld van 11.00 tot 16.00 uur. Op normale zomerse dagen vliegen ze meestal tussen 10.00 en 18.00 uur.
Op echt warme dagen vliegen de meeste wilde bijen tussen 9.00 en 19.00 uur; enkele bijen gaan door tot ca. 20.00 uur zomertijd. Hommels zijn vrijwel altijd aanwezig. Ze vliegen onder allerlei weersomstandigheden; al bij ca. 8-9 ºC. Bovendien vliegen ze bijna op alle soorten bloemen. Als het warm genoeg is vliegen ze tussen zonsop- en zonsondergang. Honingbijen gaan vliegen vanaf ca 10 ºC. Bij warm en zwoel weer vliegen ze zelfs  als het donker is op linde.
De eerste hommels, dat wil zeggen de koninginnen, zijn soms eind februari – begin maart al waar te nemen. Omstreeks die tijd vliegen ook de eerste honingbijen. Van de andere wilde bijensoorten vliegen enkele soorten vanaf half maart. Er zijn soorten die uitsluitend in het voorjaar vliegen, soorten die alleen in de zomer zijn waar te nemen en enkele soorten die ook in de vroege herfst nog op de laatste bloeiende planten zijn te vinden.
Sommige bijensoorten brengen twee generaties per jaar voort: in het voorjaar en in de zomer. Tussen de twee generaties in kunnen deze soorten een korte periode afwezig zijn. Alleen hommels vliegen continu van het vroege voorjaar tot ver in het najaar (eind oktober). In de herfst hebben we te maken met koninginnen die op zoek zijn naar een plek om te kunnen overwinteren en op de laatste bloeiende planten nectar verzamelen.
Hoe leven honingbijen Terug naar top pagina
Honingbijen zijn net als hommels en mieren sociale insecten met een gedifferentieerde taakverdeling. Een bijenvolk bestaat uit een koningin die haar hele leven eitjes legt, mannetjes die alleen een rol spelen bij de bevruchting van de koninginnen, allerlei soorten werkers (vrouwelijke bijen) voor het schoonmaken van het nest (bijenkast of korf), temperatuurregulatie, ventilatie, voederen van de larven, verdedigen van het nest en bijen die water en voedsel halen.
Honingbijen bouwen raten van was, die uit zeshoekige cellen bestaan. Alleen al door de geavanceerde architectuur van het nest hebben honingbijen al sinds mensenheugenis diep respect afgedwongen.
De grootte van het nest is afhankelijk van de ruimte – onder natuurlijke omstandigheden de holte waarin het nest wordt gemaakt -- en de hoeveelheid beschikbaar voedsel. Indien er veel voedsel beschikbaar is en de ruimte groot is, kan het bijenvolk steeds door blijven groeien. Zodra het nest te klein wordt, gaat een deel van de bijen samen met de koningin op zoek naar een nieuw nest (het zwermen van bijen).
In een groot gedeelte van de wereld worden bijen in kasten en korven gehouden. De grootte hiervan is min of meer afgestemd op de gemiddelde groei van een bijenvolk. In het voorjaar, als het bijenvolk zijn maximale grootte bereikt, weten imkers het zwermen te voorkomen door de jonge bijen samen met de oude koningin een nieuwe nestplaats (kast of korf) aan te bieden. Het wonderlijke hiervan is dat de oude bijen zonder koningin achterblijven en dat door een uiterst ingewikkeld,  zeer boeiend proces, larven die voorbestemd waren werkers te worden, uitgroeien tot koningin. De koningin die het eerste uitkomt, mag blijven leven. Dat is het meeste cruciale moment van het imkeren. Aan de hand van geluiden die door de koninginnen worden voortgebracht, het zogenaamde tuten en kwaken, kan een imker bepalen of er een koningin is geboren. Zodra dat het geval is worden de overige (grote) cellen waarin zich  ongeboren koninginnen bevinden door de imker vernietigd. Als  dit ingrijpen achterwege blijft,  is de kans groot dat verschillende koninginnen er alsnog met een bijenzwerm vandoor gaan.
Een bij leeft ca. 6 weken.  gedurende het totale vliegseizoen (maart-september) moeten er daarom continu larven worden grootgebracht om het bijenvolk op peil te houden. Dat kan alleen als er voldoende stuifmeel –lees: bloemen- aanwezig is om een nieuwe generatie bijen van voedsel te kunnen voorzien
Een gezond bijenvolk bevat meer dan 50.000 bijen. Op jaarbasis hebben deze ca. 35 tot 50 kg stuifmeel en een veelvoud aan nectar nodig. Het eiwitrijke stuifmeel is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de larve. Voor een goede ontwikkeling zijn verschillende soorten stuifmeel nodig om de volledige eiwitbehoefte van de bijen te dekken. Nectar is nodig voor de energievoorziening.  Nadat de nectar 4 tot 6 keer is ingedikt door middel van verdamping. Wordt het als honing opgeslagen. Dit is een actief proces dat de bijen met hun vleugels teweeg brengen.
Alles bij elkaar gaat het om een paar honderd kilo voedsel, die moet worden aangesleept. Noodzakelijkerwijs moet dit efficiënt gebeuren. Werkers verkennen de omgeving. Als ze een plek hebben gevonden waar redelijk wat voedsel aanwezig is, vliegen ze terug en draaien in de kast of korf krakelingachtige rondjes (de bijendans) waarin ze aangeven in welke richting de bijen moeten vliegen. Hoe meer er te halen is, des te heftiger de dans. Grote terreinen met bloeiende planten kunnen dan in korte tijd massaal door bijen worden bezocht. In korte tijd zit dan de kast vol met honing die door de imker wordt geoogst. De imker biedt de bijen in plaats daarvan suikerwater aan. Op locaties waar weinig of geen nectar van de bloemen kan worden gehaald, worden er soms alternatieve koolhydraatbronnen gebruikt. Dit kan  honingdauw zijn die door bladluizen wordt afgescheiden of een afscheiding van suikerhoudende vloeistoffen door bladeren of extraflorale nectariën van planten. Nectariën zijn honingklieren die zich buiten de bloem bevinden. Bij het geslacht Prunus bevinden die zich op de bladstelen en bij adelaarsvaren in de bladoksels van de deelbladeren.
Wat is de maatschappelijke betekenis van honingbijen? Terug naar top pagina
Bij het verzamelen van stuifmeel en nectar vindt bestuiving van de bloemen plaats. Voor veel telers van fruit en zaaizaad is dat zeer noodzakelijk. Omdat alle bloemen in een bepaalde periode intensief zijn bestoven, krijgen de meeste vruchten dezelfde kwaliteit. Dat wil zeggen vruchten met hetzelfde gewicht en dezelfde vorm,dus geen appels die aan één kant plat zijn, maar mooi appelvormig rond. Van deze kwaliteit moeten de telers het hebben.
De aardbeien, appels, kersen en peren die op de markt te koop zijn, zijn er dankzij de bijen. Dus bijen zijn geld waard. De bijdrage van honingbijen aan onze economie bedraagt meer dan een miljard euro. Bijen, in het bijzonder honingbijen, bestuiven veel van onze voedselbronnen. Een aardbei groeit pas goed uit als de bloemen  door honingbijen zijn  bestoven: dat wil zeggen dat het stuifmeel van de ene plant naar de andere plant (kruisbestuiving) wordt overgebracht.
Onder natuurlijke omstandigheden is bestuiving niet zo’n groot probleem in dun bevolkte gebieden op aarde. Er zijn vele andere soorten insecten die voor de bestuiving kunnen zorgen. De noodzaak van de hulp van honingbijen is het meest voelbaar in dicht bevolkte gebieden op aarde of in grote tuinbouwgebieden, waar zulke geweldige massa’s voedsel moeten worden geproduceerd dat dit voor natuurlijke bestuivers een vrijwel onmogelijke opgave wordt. Hier is vaak een conflict met sommige natuurbeschermers, die vinden dat de wilde bijen ook onze cultuurplanten moeten bestuiven.
n de meeste tuinbouwgebieden van West-Europa en elders in de wereld is een economisch verantwoorde productie onmogelijk zonder inzet van honingbijen en in sommige gevallen van hommels. De natuurlijke bestuivers kennen grote fluctuaties: het ene jaar kunnen ze massaal aanwezig zijn, terwijl ze  het andere jaar kunnen ontbreken. Het zal iedereen duidelijk zijn dat dit geen basis is voor een economisch gezonde productiewijze, waarin zekerheid en voorspelbaarheid een belangrijk criterium is. Een teler moet erop kunnen rekenen dat massabestuiving binnen een bepaalde periode en op een bepaald moment plaatsvindt. Te weinig of een te onregelmatige bestuiving leidt tot afname van de productie en vermindering van een standaardkwaliteit. Veel streken in het land (bijv. kleigebieden) zijn minder geschikt voor massapopulaties wilde bijen, terwijl ze wel geschikt zijn voor de tuinbouw. Honingbijen dragen dus ook bij aan de werkgelegenheid en de economie. Wilde bijen kunnen alleen worden ingezet als ze op grote schaal worden gekweekt. Dat gebeurt vooral met hommels.
In het buitenland worden andere soorten wilde bijen gekweekt. Het zijn dan, net als honingbijen, geen  wilde dieren meer, maar het zijn gewoon huisdieren geworden. De teelt van bijen zal in te toekomst een steeds grotere rol gaan spelen. Niet alleen voor de voedselproductie voormiljarden monden , maar ook in de sierteelt. Veel leuke bloemen en planten in de tuin zijn beschikbaar dankzij intensieve bestuiving van bijen; zonder bijen geen zaad of te weinig zaad. Alleen daardoor kunnen veel tuinbouwproducten op een betaalbare wijze op de markt worden gebracht.
Een vraag die honderden keren is gesteld: Wat is de rol van bijen bij de teelt van asperges ? Die groeien toch in de grond, daar zijn toch geen bijen voor nodig? Dat is helemaal waar. De essentie is echter dat men in alle groentewinkels, supermarkten, etc. asperges wil verkopen. Dat kan alleen als er steeds voldoende planten zijn. Die planten worden gekweekt  uit zaad van aspergebloemen die door honingbijen worden bestoven. Zo kan er een productiviteit worent gehaald, die de prijs van asperges in de winkels betaalbaar houdt.
Vroeger was het geen probleem om bijen in leven te houden omdat door de verscheidenheid in het milieu het hele jaar door bloeiende planten aanwezig waren. Na 1950 is dat drastisch veranderd. Intensivering van de landbouw, aanleg van wegen en de explosieve uitbreiding van het stedelijk milieu hebben de natuurlijke bloemenrijkdom in ons land doen inkrimpen Een bewuste aanplant van planten die door bijen worden bevlogen en een natuurvriendelijk beheer van beplantingen en vegetaties kunnen dit verlies. Niet alleen voor honingbijen, maar ook voor een groot gedeelte van andere bloembezoekende insecten compenseren.
Wat doen hobbyimkers Terug naar top pagina
In de eerste helft van de vorige eeuw (1900), was het houden van honingbijen in de eerste plaats een bron van inkomsten in geld of in natura. Het houden van bijen was ook vaak een vorm van bijverdienste. Het aantal beroepsimkers van vandaag is op de vingers van twee handen te tellen. Ze verdienen hun brood hoofdzakelijk door het verhuren van bijen aan fruit- en zaadtelers in verband met bovengenoemde bestuiving. De honing die dat eventueel oplevert, kan dan gezien worden als bijverdienste.
Het overgrote deel van de imkers zijn hobbyisten. Ze verhuren eveneens een aantal bijenkasten aan fruittelers, maar in tegenstelling tot de echte beroepsimkers houden ze de bijen hoofdzakelijk voor het winnen van honing. Ze krijgen van de teler een kleine bijdrage om de kosten van hun hobby te kunnen dekken. Steeds meer imkers houden bijen om de bijen zelf. Het is een uiterst boeiende hobby, buitengewoon rustgevend en tegelijkertijd is het een sport om alles in goede banen te leiden. Natuurlijk speelt de opbrengst van honing een rol, maar niet in de eerste plaats. Moderne imkers zijn niet alleen gericht op het welzijn van hun bijen, maar ook op de toestand van de natuur in haar totaliteit. Het houden van bijen is omgaan met de natuur in al haar facetten; klimaat, milieu en biodiversiteit.
Honingbijen zijn niet alleen nuttig. Ze zorgen ook voor een stuk leven in de tuin en dragen net als andere insecten bij aan de positieve belevingswaarde in de tuin of op iedere plek waar bloemen zijn. Voor hommels en wilde bijen kunnen op het gebied van nestgelegenheid beheermaatregelen worden getroffen, die de natuurlijke aanwezigheid van wilde bijen stimuleren. Zelfs in de meest intensief gebruikte agrarische gebieden van ons land is dat heel goed mogelijk. Voor het in stand houden van honingbijen is men echter geheel afhankelijk van imkers in de omgeving binnen een straal van ca. 3 (-5) km van de bijenkasten. Als er geen imkers zijn, zijn er ook geen honingbijen. De enige oplossing is dan om zelf of gemeenschappelijk bijen te gaan houden. Veel planten komen pas goed tot hun recht als ze door bijen worden bevlogen. Een wilg of bloeiende roos die niet gonst van de bijen is niet compleet: een goede aanleiding voor een fascinerende hobby.
Zijn honingbijen concurrenten van wilde bijen? Terug naar top pagina
De laatste jaren worden imkers door de natuurbescherming in het nauw gebracht, omdat men van mening is dat honingbijen concurrenten zijn van wilde bijen in natuurgebieden (Evertz, 1995; Koster, 1987; Koster, 1998; Smeekens, 2000.) Tot op zekere hoogte is dit waar. Het plaatsen van 300 of meer bijenkasten ergens op een plek op de hei, zoals dat vroeger vaak voor kwam, kan fatale gevolgen hebben voor de biodiversiteit van wilde bijensoorten. Ook voor imkers is dat onverstandig, omdat zulke gebieden geen onuitputtelijke nectarbronnen zijn. Bovendien wordt het uitbreken van besmettelijke bijenziekten in de hand gewerkt.

In de omgeving van nesten  van wilde kan het plaatsen van honingbijen er toe leiden dat wilde bijen verdwijnen. Dat heeft zeer waarschijnlijk meer met de onrust te maken dan met voedselconcurrentie . Het laatste zal binnen een straal van enkele tientallen meters een rol kunnen spelen.  Dit wordt ondersteund door de evaring met zweefvliegen (Van der Goot 1981 pag. 10): “Op struikheide moet men echter de zweefvliegen niet vlak bij een aantal kasten met honingbijen zoeken, ze zitten verder op in de heide waar minder honingbijen komen. Daar vindt u ze echter bij honderden”

Dagelijkse ervaring met honingbijen en wilde bijen wekken sterk de indruk dat op tientallen meters van bijenkasten concurentie kan worden gerelativeerd. (Koster, 1998). Wetenschappelijk bewijs dat honingbijenvolken, geplaatst op tientallen meters afstand van bijennesten en/of natuurterreinen, concurrenten van wilde bijen zijn. Is nog niet geleverd.
Er kunnen echter maatregelen worden genomen, die vermeende concurrentie tegengaan:
- Honingbijenvolken moeten niet in de buurt van kolonies van wilde bijen worden geplaatst.
- Bij of in natuurgebieden die voor honingbijen van betekenis zijn, moeten permanente locaties worden aangewezen waar bijenvolken kunnen worden geplaatst. Bijenvolken die op 100 tot 200 m van het drachtgebied zijn geplaatst zullen hier geen nadeel van onder vinden.
- Op plaatsen in of vlakbij natuurgebieden drijven barrières, geplaatst op enkele meters afstand van het vlieggat, de bijen direct omhoog waar door er in de directe omgeving minder onrust ontstaat. Houtige begroeiingen zoals heggen, struweel, singels, houtwallen en bosjes zijn daar geschikt voor.
- Plaatst niet meer dan 3 bijenvolken per ha bloeiend gewas.

Zie ook: http://www.nev.nl/hymenoptera/concurrentie_apis.html

 

Plaatst niet meer dan 3 bijenvolken (met 2 lagen raten) per ha bloeiend gewas.
Uitgaande van de praktijk mag men er vanuit gaan dat 15 tot 20 bijen, die van een vierkante meter bloeiende planten gebruik maken, geen enkel ander insect benadelen. Dit komt onder gunstige omstandigheden neer op 2,5 tot maximaal 5 bijenvolken per hectare. Die moeten dan uiteraard verspreid worden geplaatst op plekken waar geen nesten van wilde bijen in de buurt zijn. Eventueel kunnen de kasten een paar honderd meter buiten het gebied worden geplaatst, nadat eerst de aanwezigheid van wilde bijen ter plekke is geïnventariseerd. Dit leidt tot een betere verspreiding van bijen waardoor concurrentie tot een verwaarloosbare factor kan worden teruggedrongen.
Als men  uitgaat van 5 zware bijenvolken betekent het dat er 250.000 bijen per hectare zijn gestationeerd; dat is 25 bijen per m2. Slechts een gedeelte van deze bijen vliegt uit voor nectar en stuifmeel. De dieren, die uitvliegen, zijn niet op hetzelfde moment in de vegetatie aanwezig. In de praktijk zal het om maximaal ca. 10 bijen per m2 bloeiende planten gaan.
Het zou zinvol zijn om dit verder te onderzoeken. De vraagstelling zou dan moeten zijn:
- Wat is de invloed van bijenvolken, geplaatst op 100 meter afstand van natuurterreinen, op het voorkomen van wilde bijen.
- wat is het effect van barrières die voor bijenkasten zijn geplaatst, op het voorkomen van wilde bijen in de directe omgeving.
Natuurlijke fluctuaties in de bijenstand, wisselende klimaatomstandigheden, de dynamiek in de vegetatie en de niet te onderschatten fluctuaties van koekoeksbijen maken het zeer lastig om wetenschappelijk te bewijzen dat bijenvolken die met gezond verstand zijn geplaatst, nadelig zijn voor wilde bijen.
Zolang dit bewijs ontbreekt, moeten bijenvolken tot natuurgebieden worden toegelaten. Dit gebeurt al op veel plaatsen in Nederland. Maar naar aanleiding van de discussie die ook binnen de Nederlandse Bijenhoudersvereniging heeft plaats gevonden. Wordt het eerdere aantal van 5 volken naar 3 volken per ha bloeiend gewas bijgesteld.
Literatuur (beknopt)
Goot, V.S. van der, 1981. De zweefvliegen van Noordwest-Europa en Europees Rusland, in het bijzonder van de Benelux. KNNV, Utrecht. pp. 275.
Koster, A., 1998. Honingbijen en wilde bijen zijn concurrenten. Bijen 7, 10: 265-269.